Lees verder
dr. ir. Hinke Kruizenga

Ik reageer graag op het blog van Marcel Slockers, (“Ik wil geen luierpolitie en drinkvoedingbrigade”, Medisch Contact, 27 augustus 2019). Hij vertelt over Pieter, die door jarenlang cocaïnegebruik een cracklong heeft en door  benauwdheid en een slecht gebit bijna niet kan eten. Hij wil verdere ondervoeding, en daarmee exacerbaties, voorkomen met drinkvoeding maar kan dit niet voorschrijven zonder een diëtist bij de behandeling te betrekken.

Ik onderschrijf de ergernis over de vele regels in de zorg. Toch wil ik graag pleiten voor het gebruikmaken van elkaars expertise en het beeld van de diëtetiek als drinkvoedingbrigade weerleggen.

Drinkvoeding slechts onderdeel van voedingsinterventie

Een gepoolde analyse bij ouderen (38 studies, 1265 ondervoede ouderen) laat zien dat behandeling door een diëtist met en zonder drinkvoeding effectiever was dan alleen drinkvoeding. Dit laat het belang zien van diëtistische behandeling bij ondervoede ouderen.(1) Ook de LESA Ondervoeding onderschrijft dat alleen het voorschrijven van drinkvoeding onvoldoende zorg is. Drinkvoeding is slechts een optioneel onderdeel van de behandeling door de diëtist.(2)

NHG standaard COPD

Marcel Slockers beroept zich op de NHG-standaard COPD. Hierin staat: “Bij een verminderde voedingstoestand of ongewenst gewichtsverlies bij patiënten bij wie een andere oorzaak dan COPD (behalve door een andere longaandoening) onwaarschijnlijk is, overweegt de huisarts verwijzing naar de longarts voor verdere analyse en een behandelingsadvies (bijvoorbeeld verwijzing naar een diëtist).” In noot 55 van deze richtlijn staat het volgende:

  • Bij patiënten met ernstig COPD en een verminderde voedingstoestand kan een voedingsinterventie (dit is niet-equivalent aan voedingssupplementen) als component van een revalidatieprogramma zinvol zijn.
  • Patiënten met matig ernstig COPD en een verminderde voedingstoestand worden na uitsluiting van andere oorzaken door de huisarts verwezen naar de longarts voor een behandelingsadvies. Er is voor de huisarts geen indicatie om bij deze groep patiënten zelf te starten met een voedingsinterventie.

Hoe kan de diëtistische behandeling eruit zien voor Pieter?

Terug naar Pieter. Hij heeft hulp nodig. Als de huisarts een diëtist bij de behandeling betrekt, zijn meerdere interventies mogelijk.

Als Pieter is staat is tot gedragsverandering kan de diëtist uitleg geven over een gezonde voeding voor hem, en kunnen ze samen zoeken naar een haalbare invulling. Drinkvoeding kan hiervan een onderdeel zijn. Aangezien de slechte staat van het gebit een belangrijke oorzaak is van het ondervoedingsprobleem zal de diëtist, samen met de huisarts en bijvoorbeeld een schuldhulpverlener, in gesprek kunnen gaan met de zorgverzekeraar om behandeling door een tandarts mogelijk te maken.

Wanneer in dit specifieke geval het voorlopig slechts haalbaar is om de voedingsinname op peil te houden met drinkvoeding is dat ook mogelijk. De diëtist regelt dan de vergoeding voor de drinkvoeding in samenspraak met de huisarts (dit kan ook zonder Pieter te spreken) en wordt weer bij de behandeling betrokken als het wel mogelijk is om te werken aan een goed eetpatroon.

Geen drinkvoedingbrigade

De diëtist kan, juist bij de complexe ondervoede patiënten, een rol vervullen in het diagnosticeren van de voedingstoestand en de oorzaken en in de aanpak van deze oorzaken. De oorzaken van voedingsproblemen zijn vaak complex en niet op te lossen met alleen adviezen over wat wel en niet te eten. Anders eten en bewegen is een gedragsverandering waarbij goede coaching essentieel is. Dat geldt voor de aanpak van overgewicht en obesitas, maar zeker ook bij ondervoeding. Alleen drinkvoeding voorschrijven bij ondervoeding is niet effectief.

 

Deze reactie is naar de redactie van Medisch Contact gestuurd. Ze hebben het als reactie onder de column geplaatst.

  1. Reinders I, Volkert D, de Groot LCPGM et al. Effectiveness of nutritional interventions in older adults at risk of malnutrition across different health care settings: Pooled analyses of individual participant data from nine randomized controlled trials. Clin Nutr. 2018 Aug 2. S0261-5614(18)31225-1.
  2. Mensink PAJS, De Bont MAT, Remijnse-Meester TA, Kattemölle-van den Berg S, Liefaard AHB, Meijers JMM, Van Binsbergen JJ, Van Wayenburg CAM, Vriezen JA. LESA Ondervoeding. Huisarts Wet 2010;53(7):S7-10