Lees verder
Dr. Tommy Visscher weet veel over obesitas én over onderzoek. De kernvraag van onderzoek is wat hem betreft: wat is de impact van onderzoek in de praktijk? Die vraag kunnen hbo’ers beter beantwoorden dan wie ook. Ze moeten daarin alleen nog iets zekerder worden. Weg dus met de handelingsverlegenheid!
Wendy van Koningsbruggen

Obesitas is de rode draad in je carrière?

“Ik heb altijd een fascinatie gehad voor obesitas. Tijdens mijn studie kwam die trend al overwaaien uit Amerika. En ik heb me er altijd over verwonderd dat we het zagen aankomen, maar dat het hier uiteindelijk tóch zo ver is gekomen dat ook wij steeds ongezonder en dikker zijn geworden. Meteen na mijn afstuderen zag ik een vacature voor een aio-plek bij Wageningen Universiteit. Daar ben ik gepromoveerd op de impact van obesitas op de gezondheidszorg. En dat onderwerp houdt mijn interesse. Ik zit bijvoorbeeld ook in wetenschappelijke adviesraden van JOGG en het KDOO.”

Wat fascineert je er zo aan?

“We praten heel veel over obesitas en mensen met obesitas, maar wát is er nu nodig om er daadwerkelijk iets aan te doen? Dat leer je niet met vakken als epidemiologie of celbiologie, maar met het vak gezondheidsbevordering. Want uiteindelijk gaat het áltijd over de maatschappelijke impact van wat je onderzoekt. Hoe beïnvloedt alle kennis die je opdoet het gedrag van mensen? Neem obesitas: de oorzaken zijn breed, en de gevolgen zijn breed. Dat heeft álles met gedrag te maken. Daar ging mijn proefschrift niet over. Na mijn promotie heb ik als postdoc gewerkt voor de Nederlandse Hartstichting. En daar heb ik pas echt heel veel geleerd over gedrag. Het is nog altijd mijn stokpaardje: alles komt uiteindelijk neer op gedrag.”

Is al die andere kennis minder belangrijk?

“Zeker niet, alle kennis is belangrijk. Maar waar ik me in al die jaren altijd over heb verbaasd, is dat er vooral véél kennis wordt verzameld: er komen epidemiologen aan het woord en allerlei andere specialisten met een overdaad aan feiten. Die worden in een kenniscentrum bijeengebracht en van daaruit wordt het ministerie geadviseerd. Maar gedragswetenschappers zie of hoor je maar zelden, of pas in tweede instantie. Ik zie dat nu ook weer in de coronatijd. Alle programma’s zitten vol wetenschappers, die heel veel feiten presenteren. Pas veel later schuift er eens een keer een gedragswetenschapper aan. En die moet heel hard roepen: ‘Hé, hé, wij zijn ook belangrijk.’ Want mondkapjes dragen, dat gaat over gedrag. Lockdowns gaan over gedrag. Afstand houden: gedrag!”

Gedrag is het sleutelwoord?

“Ja, want gedrag is het probleem én de oplossing. De les die ik daarbij in de loop van mijn loopbaan heb geleerd is: je moet daarvoor écht in de praktijk kijken wat er speelt. Een voorbeeld. Uit onderzoek kwam naar voren dat het aantal televisies in huis een zeer goede indicator is voor het optreden van obesitas bij kinderen. Oké, maar wat is dan de interventie? ‘Die televisie, waar u zo lang voor gespaard hebt, die moet écht de kamer uit’. Ze zien je aankomen in de aandachtswijk. Dat gaat niet werken. Maar daar heb je dan wel vier jaar lang onderzoek voor gedaan. Het verband is wel belangrijk, maar dat moet gekoppeld zijn aan de praktijk. Dus je moet direct aan het begin bedenken: wat kan ik in de praktijk doen met de te verwachten resultaten? Dat is áltijd de belangrijkste onderzoeksvraag.”

En daar zijn hbo’ers goed in?

“Op de universiteiten ligt het niveau van onderzoeksvaardigheden vaak nog hoger. Maar hbo’ers zijn – per definitie – meer praktijkgericht. Ik vind het daarom ook zonde dat van vwo’ers veelal verwacht wordt dat ze naar een universiteit gaan in plaats van naar een hogeschool; het is maar net waar je interesse ligt. We kunnen niet zonder universiteiten, maar al helemáál niet zonder hogescholen. We moeten meer samenwerken. Gelukkig komt op de universiteiten ook steeds meer het inzicht dat je vanaf het begin met de praktijk aan de slag moet. Ze zoeken steeds meer contact met het werkveld. Dat is een goede ontwikkeling. Andersom komt er op de hogescholen steeds meer aandacht voor onderzoeksvaardigheden.”

En daarom zit jij nu op deze functie?

“Ja, want ook al is het allemaal praktijkgericht, de onderzoeksmethoden moeten natuurlijk goed zijn. De manier waarop je een vraag stelt, bepaalt namelijk in grote mate hoe de uitkomst zal zijn. Dus bedenk bij aanvang van een onderzoek altijd: heb ik nu een vraag te pakken waarop het antwoord inderdaad gaat helpen om een praktijkprobleem op te lossen? Dat zijn de vaardigheden die we hbo-professionals willen meegeven. Daar is nog veel winst te behalen. We hebben op dat gebied een eeuwenlange achterstand in te halen, want het idee dat je als hbo’er ook onderzoeksvaardigheden moet hebben, heerst pas sinds een jaar of vijftien. En ook nog niet alle docenten zijn daar goed in. Maar we maken grote sprongen. Hier op de Hanzehogeschool hebben we al heel veel masters en zestig lectoren. Maar ook de andere hogescholen zijn daar heel goed mee bezig.”

Wat is jouw missie als teamleider onderwijs en onderzoek?

“Onderwijs en onderzoek beter verbinden. We hebben op het hbo natuurlijk wel ‘handelingsverlegenheid’ in het doen van onderzoek. We zijn het minder gewend en zijn minder ervaren dan op de universiteit. Want je merkt wel dat onderzoek een andere wereld is dan onderwijs. Ik wil die link leggen. En bouwen aan het zelfvertrouwen. Een onderzoekende houding moet er vanaf het begin ingebakken zitten en vanzelfsprekend zijn, niet pas in het vierde jaar, als de onderzoekscriptie in zicht komt. Dat is ook voor docenten wennen: dat dat door het hele curriculum heen moet zitten. Zij moeten zelf ook iets van een onderzoekende houding meekrijgen. En weten hoe je dat stimuleert bij studenten. Daar moet dus iedereen in groeien. Een leuke uitdaging.”

Hoe ga jij het verschil maken?

“Door te luisteren. Waar zit de energie bij collega’s? Waar zit de handelingsverlegenheid? En waar zit het onbegrip? Die drie factoren spelen altijd een rol. Dat moet je zorgvuldig in kaart brengen. Anders diskwalificeer je mensen. Of ze vóelen zich gediskwalificeerd. Zeker als de onderzoeker in een gezelschap veel aan het woord is. Dan denkt men al snel: die zal het wel beter weten. Maar het werkt twee kanten op, want niet elke onderzoeker heeft een onderwijsbevoegdheid. Dat zijn nog twee verschillende werelden. Daar zullen we ooit wel een keer vanaf zijn, maar tot die tijd moeten we ons dat goed realiseren, en ermee omgaan. Op een universiteit is je vak obesitas, en vraagt men: ga je vandaag onderwijs of onderzoek doen? Op een hbo luidt de vraag: ben je docent of onderzoeker? En wat is je vak? Dat is een heel andere benadering.”

We kunnen niet zonder universiteiten, maar al helemáál niet zonder hogescholen

Je werkt hogeschoolbreed?

“Ja, ik ben teamleider onderwijs en onderzoek van de hele hogeschool, waaronder de opleiding Voeding & Diëtetiek. Bij de vorige hogeschool waar ik werkte, Windesheim in Zwolle, had ik al stagiaires van de opleiding Voeding & Diëtetiek. Daar had ik toen al een heel hoge pet van op. In het oriënterende sollicitatiegesprek viel dan bijvoorbeeld de term ‘confounding’ al; daar waren wij wel van onder de indruk. De Hanzehogeschool heeft de onderzoeksvaardigheden en de link met de praktijk al heel goed voor elkaar. Er bestaat ook een mooi programma voor hoe je praktijkbegeleiders kunt helpen bij het letten op de onderzoeksvaardigheden. Daar borduur ik op voort. Maar jullie beroepsgroep loopt daarin al echt voor op de collega’s.”

Vertel!

“De diëtetiek ligt bijvoorbeeld voor op fysiotherapie. De NVD hecht ook al jarenlang veel waarde aan evidence. Dat is prachtig. En dit tijdschrift, dat is ook echt iets waar jullie trots op mogen zijn! Met vaak een wetenschapskatern erin, echt grote klasse! En dat is ook onderdeel van de basis-onderzoeksvaardigheden die je als hbo’er moet hebben: kunnen beoordelen of de onderzoeksmethoden van een onderzoek of publicatie goed zijn. Dus niet blindvaren op de auteur. En ik merk ook, vanuit KDOO, dat er bij diëtisten een groot enthousiasme is om data aan te leveren. Jullie onderzoeken graag wat de effectiviteit is binnen de eigen patiëntenpopulatie. Misschien zouden jullie dat ook nog vaker zelf kunnen organiseren. Daar zou je bijvoorbeeld bij het aannemen van een nieuwe collega extra op kunnen letten: de interesse en vaardigheden in onderzoek. Ik denk dat de beroepspraktijk zich daar ook nog verder in kan ontwikkelen.”

En de rol van de diëtist bij obesitas?

“Het genetisch materiaal van de mens is niet veranderd in de afgelopen vijftig jaar, het gedrag wel. Minstens de helft van voeding betreft ‘gedrag’: als oorzaak, maar ook als oplossing. Dat is jullie vak. En daar heeft de diëtist een ontzettend belangrijke rol in. En als het gedrag technisch moeilijk is, hoef je dat ook niet alleen te doen. Je kunt samenwerken met een gedragswetenschapper, een gedragsdeskundige of een gezondheidsbevorderaar. Dat is een logische stap in deze moeilijk materie. Dus beschouw dat niet als een zwaktebod, maar als een vorm van optimale samenwerking bij een zeer lastig te tackelen probleem.”

Tot slot: wat adviseer je over obesitas als de minister je belt?

“Dan zou ik zeggen: stop met kidsmarketing gericht op ongezonde voeding. Dat is een concrete maatregel die je morgen kan invoeren en direct veel zoden aan de dijk zou zetten. Nu hang het af van de ‘vrijwillige actie’ van de industrie. Nou, dat gaat niet gebeuren. Dus keihard optreden tegen de industrie. En ik denk dat ze daar zelf nog gebaat bij zouden zijn ook. Ik geloof echt in verboden. We weten dat de suikertaks werkt in landen waar ze het geprobeerd hebben. Er zijn geen bijwerkingen, er is geen schade voor de volksgezondheid. Dus waarom niet? Hooguit voor de suikerbietenboer. Maar die kan toch op zijn landerijen ook wel iets anders verbouwen? De tijd van de industrie ‘aan boord halen’ is voorbij. We moeten veel strenger zijn. Stoppen met die ongezonde handel!”