Lees verder
Vetten zijn belangrijke macronutriënten in onze voeding. Ze leveren energie en daarmee brandstof voor het lichaam. Bovendien zijn er essentiële vetten, waarvan we voldoende met de voeding moeten binnenkrijgen. Dit artikel geeft een overzicht van de belangrijkste functies van vetten en vetzuren en hun relatie met gezondheid.
prof.dr.ir Ingeborg Brouwer

In de voeding komen vetten voor het overgrote deel voor als triglyceriden. Dat betekent dat er drie vetzuren gekoppeld zijn aan een glycerolmolecuul. Die vetzuren kunnen in lengte verschillen. Ze kunnen verzadigd of onverzadigd zijn. Vetten in voedingsmiddelen bevatten altijd een mengsel van verzadigde en onverzadigde vetzuren, maar de verhoudingen kunnen sterk verschillen.

Verzadigde vetzuren

Verzadigde vetzuren hebben geen dubbele bindingen en hebben daardoor een rechte structuur en een hoger smeltpunt dan onverzadigde vetzuren. Dit zorgt ervoor dat een vet dat veel verzadigde vetzuren bevat bij kamertemperatuur een vaste structuur heeft. Dierlijke vetten en bepaalde plantaardige vetten, zoals palmolie en kokosolie, zijn vooral rijk aan verzadigde vetten.

Onverzadigde vetzuren

Onverzadigde vetzuren hebben één of meer dubbele bindingen. Deze dubbele bindingen geven een knik in de molecuulstructuur. Daardoor zijn vetten die veel onverzadigde vetzuren bevatten bij kamertemperatuur vloeibaar (oliën).

Enkelvoudig onverzadigde vetzuren 

Enkelvoudig onverzadigde vetzuren hebben één dubbele binding. Olijfolie en amandelolie zijn voorbeelden van oliën die rijk zijn aan enkelvoudig onverzadigde vetzuren.

Meervoudig onverzadigde vetzuren

Meervoudig onverzadigde vetzuren hebben twee of meer dubbele bindingen en kunnen onderverdeeld worden in omega-3 en omega-6 vetzuren. Bij omega-3 vetzuren bevindt de eerste dubbele binding zich op de derde plek gerekend vanaf het methyleinde (-CH3). Bij omega-6 vetzuren bevindt de eerste dubbele binding zich op de zesde plek. Zowel het omega-3 vetzuur alfa-linoleenzuur als het omega-6 vetzuur linolzuur is een essentieel vetzuur. Dat betekent dat we deze niet zelf kunnen aanmaken en we er voldoende met de voeding van binnen moeten krijgen. Soms wordt de ratio tussen omega-6 en omega-3 gebruikt, maar deze ratio is niet erg informatief.1 Het gaat er vooral om dat iedereen voldoende van beide vetzuren binnenkrijgt.

Lijnzaadolie is een olie die rijk is aan het omega-3 vetzuur alfa-linoleenzuur. In theorie kunnen mensen alfa-linoleenzuur omzetten in langere ketenvetzuren eicosapentaeenzuur (EPA) en docosahexaeenzuur (DHA). In de praktijk gebeurt die omzetting echter maar in zeer beperkte mate. EPA en DHA kunnen daarom ook als essentieel beschouwd worden. Vis en algen zijn goede bronnen van EPA en DHA. Zonnebloemolie is een voorbeeld van een olie die rijk is aan omega- 6 vetzuren.

Transvetzuren

In de natuur komen de dubbele bindingen in de vetzuren meestal voor in de zogenoemde cis-configuratie. Bacteriën in de magen van herkauwers en in industriële processen kunnen onverzadigde vetzuren met dubbele bindingen in de cis-configuratie omzetten in de trans-configuratie. Hiermee verdwijnt de knik uit het molecuul en wordt het recht. Rechte vetzuren kun je beter ‘stapelen’ dan vetzuren met een knik. Hierdoor nemen ze minder plek in en vormen ze hardere vetten. Deze manier van harden werd volop gebruikt in de margarine-industrie. Begin jaren negentig van de vorige eeuw bleek dat transvetzuren in vergelijking met andere vetzuren erg ongunstige effecten op cholesterolgehaltes hebben.2,3 De industriële processen zijn aangepast en daarmee is de hoeveelheid transvetzuren in onze voeding enorm afgenomen. Transvetzuren komen nu nog voor in bepaalde bakkerijproducten (koek en gebak) en in dierlijke producten, zoals zuivel, boter en vlees. De inname ligt tegenwoordig echter onder de één energieprocent.4 Vanwege die lage inname is het geen belangrijk gezondheidsprobleem meer.

Aanbevelingen Gezondheidsraad

De Gezondheidsraad adviseert om zoveel mogelijk te eten volgens een meer plantaardig voedingspatroon en om boter, harde margarine en bak- en braadvetten te vervangen door zachte margarine, vloeibaar braadvet en plantaardige oliën. Aan dit advies ligt grondig onderzoek ten grondslag. De Gezondheidsraad heeft deze aanbevelingen gebaseerd op de conclusies van een aantal achtergronddocumenten waarin alle relevante – bij mensen uitgevoerde – onderzoeken geëvalueerd zijn. Zie hiervoor de verwijzingen in hoofdstuk 6 van het rapport van de Gezondheidsraad, waarin de Richtlijnen Goede voeding 2015 worden toegelicht.5 De richtlijn is erop gebaseerd dat hiermee verzadigd vet vervangen wordt door cis-onverzadigd vet.

Figuur 1. Vervanging van vijf energieprocent verzadigd vet door eenzelfde percentage meervoudig onverzadigd vet leidt tot een reductie van 27% (HR, 0,73; 95% CI, 0,70-0,77) in sterfte en vervanging door eenzelfde percentage van enkelvoudig onverzadigd vet tot een reductie van 13% (HR, 0,87; 95% CI, 0,82-0,93).10

Verzadigd versus onverzadigd vet

Voedingscentrum

De duidelijkste aanwijzingen over effecten van vetten op gezondheid zijn er voor hart- en vaatziekten. Op basis hiervan hanteerde het Voedingscentrum een aantal jaar geleden de slogan: ‘Onverzadigd is oké, verzadigd is verkeerd’. Deze slogan is eigenlijk nog steeds van toepassing, zoals ook blijkt uit het advies van de Gezondheidsraad om harde vetten te vervangen door zachte vetten en plantaardige oliën. In de praktijk kan dit gezien worden als een vervanging van verzadigd vet door onverzadigd vet.

Energiebalans

Er bestaat veel verwarring over effecten van vetten, omdat vaak getracht wordt om iets te zeggen over effecten van individuele vetsoorten zonder dat aangegeven wordt waardoor deze vervangen worden.6,7 Het lastige is dat je alleen iets over het effect van een vet kan zeggen als er sprake is van een energiebalans. Als die balans er immers niet is, is er sprake van gewichtsverlies of gewichtstoename, en dat geeft grote effecten op het risico op hart- en vaatziekten. Aangezien vetten energie bevatten, kun je in energiebalans dus alleen iets over de effecten zeggen als je aangeeft waardoor het vervangen wordt. Dat wordt vaak over het hoofd gezien.

Vervanging 

Er zijn veel aanwijzingen dat vervanging van verzadigd vet door onverzadigd vet gunstig is ter voorkoming van hart- en vaatziekten. Ten eerste laat de meta-regressieanalyse van Mensink zien dat vervanging van verzadigd vet door meervoudig of enkelvoudig onverzadigd vet leidt tot een gunstiger cholesterolprofiel.8 In deze analyse zijn de resultaten van meer dan zeventig goed gecontroleerde voedingsstudies meegenomen. Ten tweede laten grote prospectieve cohortstudies waarin de voeding meerdere malen is gemeten, zien dat vervanging van verzadigd vet door onverzadigd vet het risico op coronaire hartziekte en op sterfte verlaagt.9, 10 Wang et al. lieten in de Nurses Health Study (83.349 vrouwen) en in de Health Professionals follow- up Study (42.884 mannen) zien dat vervanging van vijf energieprocent verzadigd vet door eenzelfde percentage meervoudig onverzadigd vet leidt tot een reductie van 27% (HR, 0.73; 95% CI, 0,70-0,77) in sterfte, en vervanging door eenzelfde percentage van enkelvoudig onverzadigd vet tot een reductie van 13% (HR, 0,87; 95% CI, 0,82-0,93), zie hiervoor figuur 1).10 Ten slotte zijn er enkele gerandomiseerde voedingstrials gedaan waarin het effect van verzadigd vet is vergeleken met andere macronutriënten, met name met onverzadigde vetten.

Meta-analyses 

Er zijn verscheidene meta-analyses gedaan over in totaal negentien trials met uiteenlopende interventies en populaties. Deze geven wisselende resultaten, afhankelijk van welke trials in de meta-analyses worden meegenomen.11-14 Geen van de meta-analyses laat een effect zien op sterfte of op sterfte aan coronaire hartziekten. Dat ligt ook in de lijn der verwachtingen, aangezien de interventieduur over het algemeen te kort is om een effect op sterfte te kunnen aantonen. Als het gaat om het effect van de vervanging van verzadigd vet door onverzadigd vet op cardiovasculaire events laten Skeaff & Miller en Hooper et al. een licht beschermend effect zien, terwijl Ramsden et al. en Hamley geen effect laten zien.11-14

Het probleem is dat er een aantal haken en ogen zitten aan de studies die meegenomen zijn in alle meta-analyses. De studies zijn dus sowieso te kort om enig effect te verwachten op sterfte of sterfte aan hart- en vaatziekten. Daarnaast zijn veel studies lang geleden uitgevoerd en is er in veel gevallen ook onvoldoende bekend over de precieze samenstelling van de voedingen, terwijl dat cruciaal is om de uitkomst goed te kunnen beoordelen. Een indeling naar adequaat of niet adequaat gecontroleerde studies, zoals Hamley heeft gedaan, is dan ook van beperkte waarde als in drie van de vijf adequaat gecontroleerde studies veel onzekerheid is over de exacte samenstelling van de verstrekte dan wel geadviseerde voedingen.14 Alhoewel trials meestal gezien worden als de sterkste vorm van bewijs als het gaat om effecten van een interventie versus een placebo, is het de vraag of dit ook het geval is voor voedingsstudies naar effecten van macronutriënten op chronische ziekten.

Literatuur

  1. Stanley JC, Elsom RL, Calder PC, et al. UK Food Standards Agency Workshop Report: the effects of the dietary n-6:n-3 fatty acid ratio on cardiovascular health. Br J Nutr 2007;98:1305-10.
  2. Mensink RP, Katan MB. Effect of dietary trans fatty acids on high-density and low-density lipoprotein cholesterol levels in healthy subjects. NEJM 1990;323(7):439- 45.
  3. Willett WC, Stampfer MJ, Manson JE, et al. Intake of trans fatty acids and risk of coronary heart disease among women. Lancet 1993;341(8845):581-5.
  4. Van Rossum CTM, Fransen HP, Verkaik- Kloosterman J, et al. Dutch National Food Consumption Survey 2007-2010: Diet of children and adults aged 7 to 69 years. Bilthoven, 2011. RIVM Rapport 350050006.
  5. Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding 2015. Den Haag: Gezondheidsraad, 2015; publicatienr. 2015/24.
  6. Siri-Tarino PW, Sun Q, Hu FB, et al. Meta- analysis of prospective cohort studies evaluating the association of saturated fat with cardiovascular disease. Am J Clin Nutr 2010;91:535-46.
  7. Chowdhury R, Warnakula S, Kunutsor S, et al. Association of dietary, circulating, and supplement fatty acids with coronary risk: a systematic review and meta-analysis. [correcties gepubliceerd in Arch Intern Med 2014;160:658]. Ann Intern Med 2014;160:398-406.
  8. Mensink RP. Effects of Saturated Fatty Acids on Serum Lipids and Lipoproteins: A Systematic Review and Regression Analysis. Geneva, Switzerland: World Health Organization; 2016.
  9. Li Y, Hruby A, Bernstein AM, et al. Saturated fats compared with unsaturated fats and sources of carbohydrates in relation to risk of coronary heart disease: a prospective cohort study. J Am Coll Cardiol.\ 2015;66:1538-48.
  10. Wang DD, Li Y, Chiuve SE, et al. Association of Specific Dietary Fats With Total and Cause-Specific Mortality. JAMA Intern Med 2016;176(8):1134-45.
  11. Skeaff CM, Miller J. Dietary fat and coronary heart disease: summary of evidence from prospective cohort and randomised controlled trials. Ann Nutr Metab 2009;55:173-201.
  12. Hooper L, Martin N, Abdelhamid A, et al. Reduction in saturated fat intake for cardiovascular disease. Cochrane Database Syst Rev 2015:CD011737.
  13. Ramsden CE, Zamora D, Leelarthaepin B, et al. Use of dietary linoleic acid for secondary prevention of coronary heart disease and death: evaluation of recovered data from the Sydney Diet Heart Study and updated meta-analysis [correcties gepubliceerd in BMJ 2013;346:f903]. BMJ 2013;346:e8707.
  14. Hamley S. The effect of replacing saturated fat with mostly n-6 polyunsaturated fat on coronary heart disease: a meta-analysis of randomised controlled trials. Nutr J. 2017;16:30.
  15. Sacks FM, Lichtenstein AH, Wu JHY, et al. Dietary Fats and Cardiovascular Disease: A Presidential Advisory From the American Heart Association. Circulation 2017; published June 15, 2017.