Lees verder
Bij de diagnose ‘(risico op) ondervoeding’ moet een diëtist de behandeling uitvoeren. De huisarts blijkt echter bij de helft van de ondervoede patiënten niet de diëtist te betrekken en zelf drinkvoeding voor te schrijven.
Ricky van Poppel

Waarom dit onderzoek?

MalnuCare en Stichting Achmea Gezondheidszorg onderzochten hoe de diëtist in de eerstelijnszorg handelt na verwijzing van de huisarts met de diagnose ‘(risico op) ondervoeding’. Volgens de afspraken van de LESA Ondervoeding moet een diëtist de behandeling uitvoeren en is medische voeding niet de eerste keuze. Uit eigen data van Zilveren Kruis Achmea blijkt echter dat de huisarts bij de helft van de ondervoede patiënten zelf drinkvoeding voorschrijft (in 95% van de gevallen van één merk) in plaats van de diëtist bij de behandeling te betrekken.

Diëtisten werken volgens het Stepped care-model, wat betekent dat ze eerst de gewone voeding optimaliseren voordat ze drinkvoeding voorschrijven. Om de compliance van het gebruik van drinkvoeding te bevorderen, is het beleid dat diëtisten een breed assortiment voorschrijven, waarbij het advies afgestemd is op de voedingsbehoefte en de smaak van de patiënt.

In dit onderzoek is deze werkwijze van de diëtist in de praktijk getoetst. De onderzoeksvragen waren:

  • Is er een behandelplan opgesteld met een behandeldoel?
  • Werken diëtisten volgens het Stepped care-model?
  • Wordt er een gevarieerde productkeuze voorgeschreven?
  • Scoort de behandeling van de diëtist minimaal een 8?

Methode

In de periode van januari tot en met november 2015 werden de nieuwe patiënten die voor (dreigende) ondervoeding door de huisarts waren doorgestuurd naar MalnuCare in dit onderzoek geïncludeerd. De diëtisten werd gevraagd om hun gebruikelijke manier van werken, volgens de richtlijn ondervoeding, te behouden. De volgende gegevens werden met toestemming van de patiënt verzameld: medische diagnose, SNAQ65+-score, lengte, gewicht, lichaamssamenstelling, voedingsanamnese, behandeldoel(en), voedingsadvies en dieetvoeding, en of het behandeldoel werd bereikt. De gegevens werden prospectief verzameld en door de behandelend diëtist gearchiveerd in een beveiligde database.

De klanttevredenheid werd onderzocht met een enquête (digitaal en via post) bij patiënten bij wie de behandeling was afgerond of die meer dan zes maanden in zorg waren. De enquête was gebaseerd op de klanttevredenheidsvragenlijst van de NVD, waarbij de niet-relevante vragen waren verwijderd. Uiteindelijk bleef een vragenlijst van negen vragen over.

Resultaten

Er werden 106 patiënten geïncludeerd. Bij elke patiënt was een behandeldoel geformuleerd. Bij 69% van de patiënten was het doel: verbetering van de voedingstoestand uitgedrukt als een stijging van het gewicht en het verbeteren van de spiermassa. Bij 27% was het doel: behoud van gewicht, spiermassa en voedingstoestand. Bij 4% was dit: het voorkomen van verergering van de klachten. En bij 1% was dit het overgaan op normale voeding. Tussentijds werd bij 9% van de patiënten het behandeldoel gewijzigd.

De diëtisten van MalnuCare schreven bij 34% van de 106 patiënten een energie- en eiwitverrijkt dieet voor op basis van reguliere voedingsmiddelen. Ze gaven 52% van de patiënten het advies om naast de reguliere voedingsmiddelen ook drinkvoeding te gebruiken. 11% van de patiënten gebruikte alleen drinkvoeding en 2% werd geadviseerd om modules te gebruiken (poeders die verrijkt zijn met energie en eiwit, die in normale voeding verwerkt kunnen worden). 1% kreeg het advies om sondevoeding te gebruiken.

Er werden drinkvoedingen van verschillende fabrikanten voorgeschreven. Er werd voornamelijk gebruikgemaakt van Abbott, Nestle, Fresenius en Nutricia; 5% van de producten was afkomstig van overige producenten. Bij 25% van de 106 patiënten werd generiek voorgeschreven. Uit de gegevens blijkt dat er tussentijds twaalf keer werd gewijzigd van producent en dat 25% van de patiënten producten van verschillende producenten kreeg voorgeschreven. Van de 106 geïncludeerde patiënten waren er na zes maanden twaalf overleden; drie waren opgenomen in een hospice of verpleegtehuis. Aan de overige 94 patiënten werd de klanttevredenheidsenquête gestuurd. 27% (n=25) hiervan werd geretourneerd. De klanttevredenheid was gemiddeld een 8,8 (range 6-10).

Conclusie

Bij alle patiënten werden een behandeldoel en behandelplan opgesteld en werd gewerkt volgens het Stepped care-principe. De meest toegepaste behandeling was het verrijken van gewone voeding in combinatie met het gebruik van drinkvoeding, gevolgd door alleen verrijkte voeding. Tijdens de behandeling werd regelmatig gewisseld van producent en van product, wat erop wijst dat de diëtist een gevarieerde productkeuze voorschrijft. De diëtist bepaalde in overleg met de patiënt welke smaken en producten het beste pasten in de persoonlijke situatie van de patiënt op dat moment. Regelmatig vond er een evaluatie plaats, waarna indien nodig het beleid en de producten werden aangepast. De diëtisten scoorden gemiddeld een 8,8 in het klanttevredenheidsonderzoek.

Toepassing in de praktijk

Dit onderzoek ondersteunt het standpunt van de LESA Ondervoeding dat huisartsen moeten verwijzen naar de diëtist bij ondervoeding. Drinkvoeding blijkt lang niet altijd nodig te zijn. De diëtist kan individueel passend advies geven en door variatie de compliance van de dieetadviezen verbeteren.