Lees verder
In de Kennisagenda diëtetiek heeft de NVD in kaart gebracht welke onderzoeksvragen er voor de diëtetiek liggen. Wat is bekend? En wat nog niet? Met de antwoorden op die vragen moeten we samen aan de slag.
Wendy van Koningsbruggen

Om de kwaliteit van de paramedische zorg te verbeteren, is meer onderzoek nodig. In 2017 maakten de minister van VWS, paramedici en andere betrokkenen partijen daar afspraken over in het Hoofdlijnenakkoord Paramedische Zorg. In opdracht van ZonMw schreven Wineke Remijnse en Marieke Plas de Kennisagenda Diëtetiek. Ze inventariseerden voor ons vakgebied de kennishiaten, die de basis vormen voor de onderzoeksvragen die relevant zijn voor de dagelijkse praktijk van diëtisten. Andere paramedische beroepsgroepen deden hetzelfde. Half december was het document klaar en werd het aangeboden aan het ministerie van VWS.

Hoofdvragen, thema’s en hiaten

Remijnse en Plas werken beiden bij de NVD: respectievelijk als beleidsadviseur en als onderzoeker en beleidsmedewerker. In slechts acht maanden tijd brachten ze het onderzoek binnen de diëtetiek in kaart. Ze ordenden wat al wel uit onderzoek bekend is en wat nog gedaan moet worden. Hieruit kwamen tweehonderd ‘kennishiaten’ naar voren. Deze kennishiaten zijn de basis voor 21 hoofdvragen, verdeeld over zeven thema’s: diagnostiek, interventie, evaluatie, preventie, interprofessionele samenwerking, technologie en innovatie, en kennisinfrastructuur. Deze zijn beschreven in de Kennisagenda en vormen samen de meerjarenonderzoeksagenda voor de diëtetiek.

Breed draagvlak

Van begin …

Remijnse vertelt hoe het proces verlopen is: “Om te beginnen hebben we een kerngroep samengesteld, met daarin de lectoren van de vier hogescholen. Met hen hebben we zeer intensief samengewerkt. Dat begon met de vraag over wat de juiste zoekstrategie zou zijn: hoe brengen we al dat onderzoek in kaart? Daarop hebben we literatuuronderzoek gedaan naar systematic reviews over de gezondheidseffecten en kosteneffectiviteit van de diëtetiek. De bevindingen daaruit hebben we vervolgens voorgelegd aan een door ons samengesteld wetenschappelijk college; daarin zaten mensen met kennis op het gebied van onderzoek gelieerd aan de diëtetiek. Verder hebben we input opgehaald bij kennisinstituten, lectoraten en hoofden diëtetiek van academische en topklinische ziekenhuizen. We hebben bij iedereen die we konden bedenken nagevraagd: wat voor onderzoek doen jullie?”

… tot eind

Plas vervolgt: “Daarna zijn we op zoek gegaan naar de hiaten: op welke gebieden ontbreekt kennis of bewijs? Dat hebben we nagevraagd bij netwerken van diëtisten, koepelorganisaties van artsen, onderzoekers, zorgverzekeraars en patiëntenverenigingen. De hoofdvragen hebben we aan het eind nog voorgelegd aan alle patiëntenverenigingen, met als praktische toetsing de vraag of dit ook was wat patiënten zouden willen weten. Kortom: iedereen heeft z’n zegje kunnen doen. Daarmee hebben we een breed draagvlak gecreëerd.”

Praktische onderzoeksvragen

Opbouwen

Bij de zoektocht was het rapport Juiste zorg op de juiste plek een belangrijk document. Remijnse: “Dit rapport maakt duidelijk dat paramedici veel vaker ingezet kunnen worden dan nu het geval is. We leveren allemaal een duidelijke bijdrage aan het functioneren van de mens in zijn of haar specifieke context. Maar om onze plek daarin te ‘veroveren’, moeten we onze effectiviteit beter laten zien. Met onderzoek. En dan loop je er tegenaan dat er binnen de diëtetiek geen onderzoekstraditie bestaat. We zijn dan ook heel blij dat onze leden op de ALV toestemming hebben gegeven voor de benoeming van een hoogleraar diëtetiek. Dat is een belangrijke stap in professionalisering van ons vak.”

Plas voegt daaraan toe: “Het traditionele voedingsonderzoek heeft ons veel gebracht, maar er is meer aandacht nodig voor de toepassing binnen de diëtetiek. Hiervoor zijn andere onderzoeksdesigns nodig, veel praktischer. We hoeven echt niet allemaal zelf onderzoekers te worden, maar we moeten weten bij wie we met onze vragen aan kunnen kloppen.”

Financiering

Remijnse vertelt hoe het met de financiering gaat: “In vervolg op het hoofdlijnenakkoord wordt nu onderhandeld over een vervolgakkoord. Hierin wordt de geldstroom benoemd. Er moeten afspraken komen rondom paramedische onderzoeksprogramma’s. Op het moment dat ZonMw daar een programma voor gaat schrijven, zullen we met elkaar de voorwaarden moeten vastleggen waaraan onderzoekers moeten voldoen. En wel zo dat het echt voor ons bedoeld is; dus niet een open call voor iedereen. Gelijktijdig met het opstellen van de paramedische kennisagenda’s hebben we gezamenlijk het rapport Kennis centraal, functioneren optimaal opgeleverd. Dat is een kader voor het meerjarig onderzoeksprogramma paramedische zorg.”
Plas vult aan: “Je kunt je voor financiering inschrijven op onderzoekscalls. Maar misschien zijn er ook wel wetenschappelijke instituten of academische ziekenhuizen die zeggen: deze vraag willen wij wel oppikken. Mogelijk past dat zelfs in hun eigen programma en hoeft het niet bekostigd te worden uit het toekomstig budget van de paramedie.”

Ook patiënten positief

Remijnse was aangenaam verrast toen bleek dat ook patiënten het belang van alle onderzoeksvragen erkenden. “Bovendien was het leuk dat de diëtetiek erg goed uit de bus kwam tijdens de focusgroepgesprekken, waarin patiënten werd gevraagd naar hun ervaringen met de paramedie. Patiënten ervaren, en waarderen, dat wij met de hele mens bezig zijn. Het ‘totaalplaatje’ werd vaak genoemd.”
Plas over haar ervaring: “Ik vind het een mooie bijkomstigheid dat de samenwerking bij het samenstellen van de kennisagenda’s de banden tussen de paramedici duidelijk heeft versterkt. We vinden elkaar op dezelfde thema’s. Daarin zit ook de meerwaarde van samenwerking. Bovendien kwam het belang van de samenwerking tussen de paramedie en huisartsen en wijkverpleging duidelijk naar voren. Ook daar zit veel overlap.”

Wat kan ík hiermee?!

Context

De grote vraag is natuurlijk: hoe wordt dit alles bruikbaar voor de dagelijkse praktijk? Plas: “De Kennisagenda is echt gericht op de diëtetische vraagstukken. In dat verband wil ik ook graag het rapport Zonder context geen bewijs noemen. RCT-onderzoek wordt vaak gezien als beste onderzoeksmethode. Maar daarbij vindt onderzoek plaats in een gecontroleerde setting, buiten de praktische context dus. Er moet daarom een omslag komen in de manier van onderzoeken. Want in ons vak is juist die context allesbepalend. Die traditie is er nog niet, dus dat zullen we zelf op poten moeten zetten. Daar ligt een rol voor onze achterban: meedenken over de onderzoeksopzet en gegevens verzamelen en vastleggen, in samenwerking met bestaande onderzoeksinstanties. En als belangrijke pionnen in dit geheel hebben we natuurlijk onze lectoren. En straks hopelijk een hoogleraar.”

Interactief

Remijnse: “Je kunt de kennisagenda gebruiken om te kijken of de vragen waarmee je zit worden benoemd. Wat is daarover bekend? En wie heeft er ook belangstelling voor? Waar kun je je vraag uitzetten? Binnen de hogescholen, de lectoraten, wordt al veel onderzoek gedaan. Zo’n concrete vraag van jou kan een bron zijn waarmee zij aan de slag kunnen. Of je kunt met je vragen naar een universiteit gaan.”
Diëtisten weten die paden nog niet altijd te bewandelen, aldus Plas: “Daar moeten we dus een slag gaan maken. Daarvoor hebben hier nu dit prachtige document liggen, onze Kennisagenda. Daar willen we ook echt wat mee! Het is zoveel meer dan alleen een papieren document. We gaan nu op zoek naar een format om dit tot een levendige, interactieve versie te maken. Wat loopt er? Wie is waarmee bezig? Wat is inmiddels opgelost? Daar willen we een bemiddelende rol in spelen.”

Samen gaten dichten

Dit rapport is belangrijk voor álle diëtisten, stellen Remijnse en Plas tot slot expliciet. “Laat je niet afschrikken door de term ‘onderzoek’”, aldus Plas. “Je hoeft heus geen aio te worden of zelf onderzoek uit te gaan voeren. Lees het rapport gewoon eens door en kijk welke vragen voor jou interessant zijn. Het zijn er tweehonderd, dus het vraagstuk waar jij tegen aanloopt, zit er ongetwijfeld tussen. Dan kunnen we die kennishiaten de komende jaren samen dichten.”

Eigen top drie

We vroegen Remijnse en Plas om hun persoonlijke top drie. Waar moeten we als eerste mee aan de slag?

Wineke Remijnse

  1. Hoe kunnen we de behandeling van de diëtist beter ‘personalized’ maken op basis van subgroepen? Dus clusteren: wat is het pakket aan factoren die een rol spelen bij een specifieke doelgroep binnen een ziekte of aandoening?
  2. Een nog betere samenwerking. Hoe kun je interventies optimaal combineren, bijvoorbeeld met beweging: welke voeding en trainingscomponent leveren het beste resultaat op?
  3. We moeten meer gebruik gaan maken van technologieën en innovatieve behandelwijzen beter benutten, zoals zelfmonitoring, e-health, blended care. Hoe kunnen we daarmee de effectiviteit en efficiëntie van de dieetbehandeling vergroten?

Marieke Plas

  1. Hoe kun je als diëtist gezondheidsverschillen verkleinen? Mensen met lage gezondheidsvaardigheden leven minder gezond. Ik denk dat diëtisten daar een belangrijke rol in kunnen spelen. Meer toegepaste kennis over gedragsverandering is de basis om hiermee aan de slag te kunnen.
  2. En inderdaad: hoe werk je optimaal samen? Patiëntenverenigingen noemden ook vaak dat alle professionals op hun eigen eilandje werken. We kijken blijkbaar te weinig verder dan ons eigen vakgebied. En dat zit ’m denk ik vooral in onvoldoende kennis van elkaars vakgebied. Dat is écht een gemiste kans. Dat vindt iedereen, dus dat verdient serieus meer aandacht.
  3. Mijn grote wens is dat er bij de NVD een meldpunt voor de kennisinfrastructuur komt, waar alle vraag en aanbod samenkomt. Dat verlaagt de drempel die er toch is bij het onderwerp onderzoek.”

 

Leestips