Lees verder
Jeannette Brookman is een ondernemende diëtist. Ze werkte in voedingswinkels en de IT, woonde in Amerika en heeft inmiddels een eigen praktijk. Maar ze is vooral op haar plek als diëtist bij BeLife, centrum voor bewegen in Rotterdam. Daar geeft ze revalidatiepatiënten voedingsadviezen op basis van uitgebreide metingen.
Wendy van Koningsbruggen

Wat is BeLife?

“BeLife is een zelfstandig revalidatiebehandelcentrum. We zien mensen met fitheidsklachten, zoals vermoeidheid, rugklachten en prikkelbare darm, en vaak ook met overgewicht. Meestal zijn deze mensen uitgevallen op het werk. Ze worden doorverwezen door bedrijfsartsen, arbo-artsen of huisartsen. Daarnaast krijgen we cliënten vanuit het Centrum Gezond Gewicht en het Erasmus Medisch Centrum. Maar we hebben hier ook de voetballers van Excelsior onder controle. We behandelen mensen met een intensief trainingsprogramma, zodat ze extra kunnen presteren. Dat is een DBC (diagnosebehandelcombinatie) van drie maanden. Daar zit ik voor een aantal uren in. Het gebruikelijke hebben mensen vaak al gedaan, in dit revalidatiebehandelcentrum bieden we net iets meer.”

Hoe ziet zo’n behandeling eruit?

“Het is een traject van drie maanden, met intake, tussenmeting en eindgesprek. Daartussen hebben cliënten twee keer in de week een begeleide (een-op-een) training en gesprekken. Ze doen op de intake-dag een inspanningstest, en zo nodig doen we een ruststofwisselingsmeting, een bloedgassenmeting en klinische chemie (bloedprikken). Vervolgens zien ze een psycholoog, de revalidatiearts en een fysiotherapeut. De diëtist is niet standaard onderdeel van iedere diagnostiek; dat is afhankelijk van de diagnose. Maar daar willen we wel naartoe, omdat we merken dat trainingen beter gaan als ook de voeding daarop is afgestemd.”

Hoe ben je aan het meten geslagen?

“We zien hier een grote verscheidenheid aan mensen, die allemaal fitter moeten worden. Mensen die moeten afvallen, gaan soms erg vooruit bij de inspanningstest, maar verliezen geen gram. Dat stimuleert niet echt. Toen ik steeds meer over het meten van lichaamssamenstelling hoorde, zijn we de bioimpedantiemeter gaan gebruiken. Dat is nu standaard bij de aanvang, tussen en eindmeting. En het motiveert mensen enorm. Dan zijn ze niet afgevallen, maar ze zien wel: ik ben vetmassa kwijtgeraakt en er is drie kilo aan spiermassa voor teruggekomen. Hetzelfde geldt voor handknijpkracht. De meter was er, maar we gebruikten hem niet. Nu wel, en mensen vinden het hartstikke leuk, omdat ze direct het resultaat zien van wat ze aan het doen zijn.”

Een omslag in denken?

“Ja, zeker wel. De nadruk ligt niet meer op ‘wat leg je op je bord?’, maar op fitheid en leefstijl. Om dat in kaart te brengen, wil je meetbare resultaten hebben. We denken niet meer in gewicht, maar in spiermassa. Ik had altijd al het onderbuikgevoel dat we met die BMI niet altijd even goed zaten. Ik miste ook het meer concreet denken en handelen binnen de diëtetiek. Er is nu echt een range aan instrumenten die we kunnen gebruiken. Neem zo’n ventilated hood de indirecte calorimeter – om het energieverbruik te meten. Die is voor diëtisten heel goed te gebruiken; je verzamelt er een schat aan gegevens mee. Het is natuurlijk wel even wennen en oefenen. Maar je moet het gewoon gaan doen.”

Voer je alle metingen zelf uit?

“Dat ligt eraan. Ik ben hier niet alle dagen, dus soms doen anderen het, onder zo goed mogelijk gestandaardiseerde omstandigheden natuurlijk. De bioimpedantiemeting gebeurt bij alle bepalingen van het ruststofmetabolisme. Wanneer dat niet is gedaan, doen we de BIA apart. Zelf doe ik standaard de intake en de meting van het ruststofmetabolisme. Vaak meten we hier ook nog handknijpkracht, en we wegen mensen. Onlangs is er een collega- sportdiëtist bijgekomen. Dat is echt fijn: een sparringpartner. Voeding staat hier gelukkig heel hoog in het vaandel. Goede voeding is een voorwaarde voor mensen om goed te kunnen trainen. Wij zijn dus een belangrijke schakel in het geheel. Ik denk dat we dat voor een groot deel aan de metingen te danken hebben.”

Tegen welke problemen loop je aan?

“We volgen alle ontwikkelingen op de voet, maar je loopt toch wel regelmatig tegen dingen aan. Waarom valt iemand niet af, terwijl zijn verbruik veel hoger is dan zijn inname? Hoe moet je afwijkende waarden interpreteren? Wat doe je met een patiënt die niet past in de referentietabellen? Het is fijn om daarover met anderen van gedachten te kunnen wisselen. Wat ik ook lastig vind is: hoe registreer je? Bijvoorbeeld voor onderzoek of een stageopdracht. Ik zet alles wel in het EPD, maar het is ook weer niet zo dat je met één druk op de knop de gegevens allemaal netjes bij elkaar hebt. Daar is in de toekomst nog winst mee te behalen. Ik denk ook dat we onze ervaringen bij elkaar moeten brengen en dan uiteindelijk tot een consensus moeten komen. Maar dan moet wel eerst iedereen gaan meten.”

Moet elke diëtist metingen doen?

“Ja, zeker de eenvoudige metingen waar je alleen een meetlint voor nodig hebt, zoals de bovenarm- en middelomtrek. Want het is goed om te bepalen waar je je behandeling op wilt afstemmen. Neem eiwitbehoefte: bij iemand met een te lage vetvrije massa ga je anders te werk dan bij iemand die goed zit. Bovendien is het een meerwaarde als je als diëtist dat soort gegevens en de ontwikkelingen kan laten zien. Alleen wegen en lengte meten is veel te beperkt. Mensen hebben motivatie nodig. Concrete cijfers zijn voor veel mensen een stimulans. En als je de beschikking hebt over wat meer geavanceerde apparatuur: gebruik die!”

Wat vinden diëtisten lastig?

“Het is een flinke stap om te gaan meten. Dat heb ik zelf ook ervaren. Om te beginnen is het, denk ik, diëtisten eigen om erg met mensen mee te voelen. Dan vind je het toch lastig dat ze moeten gaan liggen, of hun kleding uittrekken. Ook heeft niet iedereen een bank in de praktijkruimte staan. En we zijn als beroepsgroep al helemaal niet gewend om aan mensen te zitten. Bovendien ben je misschien bang dat je de meting niet goed doet, of dat je de resultaten verkeerd interpreteert. Want ja, als je gaat meten, verwachten mensen daar ook wat van. Maar praat vooraf eens met iemand die het al doet, of loop eens een dagje mee. Want als je de stap eenmaal gezet hebt, wegen de nadelen echt niet op tegen de voordelen.”

Hoe vinden patiënten het?

“Ze vinden het vaak wel fijn om te zien dat ze goed bezig zijn: niet alleen aan de kledingmaat, maar ook in harde cijfers. Ze zijn meestal wel verrast dat er – ook bij de diëtist – van alles gemeten wordt. Dat wordt vooraf wel aan ze verteld, maar het lijkt wel of ze dat vergeten. Doorgaans zijn ze er uiteindelijk blij mee, vooral mensen die zelf al veel bijhouden, bijvoorbeeld met een app. Maar niet iedereen vindt het prettig. Laatst had ik een vrouw die maar niet wilde afvallen. Ik stelde voor om haar rustmetabolisme te meten, maar dat wilde ze per se niet; die had waarschijnlijk flink ondergerapporteerd. Het kan voor mensen dus ook behoorlijk confronterend zijn als ‘de waarheid boven tafel komt’. Ook daar moet je rekening mee houden.”

Heb je tips voor diëtisten?

“Verdiep je in het meten van lichaamssamenstelling. Lees je in, praat met collega’s, loop eens mee. En zoek samenwerking. Dat is cruciaal. Met diëtisten in de buurt, met ziekenhuizen of een hogeschool (waar apparatuur staat). Of met een fysiotherapeut, zodat je de training van een cliënt kunt volgen en daar je adviezen op kunt baseren. Dat gebeurt nog heel weinig. Metingen uitvoeren geeft ook meer diepgang aan je werk. Dat is alleen maar leuk! Er wordt steeds meer bekend over het meten van lichaamssamenstelling. Neem dit NTVD-themanummer met die praktische poster. Begin er zelf ook mee! Het Nutritional Assessment Platform doet veel, en de Standard Operating Procedures (SOP’s) voor bioimpedantieen handknijpkrachtmeting liggen voor je klaar! En ze kunnen je helpen met vragen.”

Waar liggen onze kansen?

“We moeten ons niet de kaas van het brood laten eten. Waarom zouden anderen, zoals huisartsen, zich moeten gaan scholen in leefstijladviezen?! Dat kunnen wij toch al?! Wij hebben heel belangrijk werk. Dat moeten we vol trots uitstralen. En onze kansen pakken. Bijvoorbeeld: wij bieden onze accommodatie voor rustmetabolismemetingen aan diëtisten in de omgeving aan. Daar wordt totaal geen gebruik van gemaakt. Dat is toch zonde?! Hetzelfde bij de Haagse Hogeschool, die heeft ook apparatuur ter beschikking. Dus: zoek en benut de mogelijkheden die er zijn. Voor een diëtist alleen is het natuurlijk lastiger dan op een afdeling in een ziekenhuis, maar dan moet je de boer op, assertief zijn. Zo zijn we niet opgeleid, dus dat moeten we onszelf aanleren.”

Is de jongere generatie beter opgeleid?

“Ik sprak daar laatst met een docent over. Het meer commercialiseren van het beroep zit er nog steeds niet goed in. Nu hoef je als diëtist niet supercommercieel te worden, maar je moet wel goed aan de weg timmeren en laten zien wat je in huis hebt. Ik denk wel dat de nieuwe generaties assertiever zijn. En er zijn op de opleidingen ook hele goede stappen gemaakt, ook met het meten van lichaamssamenstelling. Dat zit er nu uitgebreid in. Dus de jongere generatie diëtisten hoeft díe drempel in elk geval niet meer over.”

Wat moet de boodschap van dit themanummer zijn?

“Ik denk dat we nog altijd onderschatten hoeveel we eigenlijk weten. Meten maakt die kennis inzichtelijk. Om te beginnen voor jezelf. Je kunt er namelijk veel meer mee verklaren. Dat geeft diepgang aan je werk, maar ook voor de patiënt, die ziet dat al zijn inspanningen resultaat opleveren. We moeten veel breder kijken dan de Richtlijnen goede voeding alleen; dat is echt te beperkt. Ik hoor en zie nog veel te veel ‘caloriedenken’. Met meetbare gegevens in handen kun je veel beter maatwerk leveren, dan weet je waar je mee bezig bent. En als we op de langere termijn al die gegevens bij elkaar leggen, kunnen we ons vak nog beter onderbouwen. In dit centrum heb ik nu ervaren wat je als diëtist kan bijdragen aan het grotere geheel. En ik zie ook hoe cliënten en andere disciplines de bijdrage van de diëtist meer en meer zijn gaan waarderen. Daar ben ik natuurlijk supertrots op!”