Lees verder
Vivianne Ceelen over veranderen en vooroplopen Vivianne Ceelen is hoofd van de opleiding Voeding & Diëtetiek aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). Daar is het onderwijssysteem twee jaar geleden flink op de schop gegaan. Het doel: studenten beter voorbereiden op de praktijk. “Als je wilt ontwikkelen, moet je durven loslaten. Daarvoor heb je lef nodig. Dat geldt zowel voor de opleiding als voor de studenten.”
Wendy van Koningsbruggen

Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen in het Voeding & Diëtetiek-onderwijs?

“Twee belangrijke ontwikkelingen in het huidige onderwijs zijn ‘leren in de driehoek’ en ‘interprofessioneel werken’. Die driehoek is: onderwijs – praktijk – onderzoek. Voortdurend kennis opdoen en aanpassen is daarbij belangrijk. Daarom moeten we binnen deze drie gebieden samenwerken en van elkaar leren. Daar leggen we bij de HAN erg de nadruk op: samenwerken met het werkveld, maar bijvoorbeeld ook met de verschillende zorgopleidingen en sociale opleidingen binnen de HAN. Ook is het belangrijk dat je ergens durft in te stappen waarvan je niet altijd van tevoren weet hoe het gaat lopen. Bravoure tonen dus, lef hebben. De werktitel, de LEF-aanpak, hebben we dan ook maar behouden.”

Wat hoe werkt dat in de praktijk?

“De huidige maatschappij vraagt om een nieuw type professional. Die moet kritisch zijn, verantwoordelijkheidsgevoel hebben en innovatief zijn. Studenten, die wij ‘diëtist in opleiding’ (DIO) noemen, moeten daarom ondernemender worden, meer uit hun schulp kruipen. Want met een afwachtende houding laat je te veel mooie kansen liggen. Dat moeten ze leren, vanuit de praktijk. Met dat idee zijn we met studenten, docenten, het werkveld en onderzoekers bij elkaar gaan zitten. Onze vraag: welke kansen zien we voor de diëtetiek? En wat hebben we nodig? Vandaaruit hebben we onze ambities geformuleerd. De belangrijkste conclusie was dat we meer verbinding willen: meer praktijk in het onderwijs en meer onderwijs in de praktijk. Daarmee kunnen we innoveren en een bijdrage leveren aan de maatschappij.”

Hoe uit zich dat in het onderwijs?

“Studenten en professionals moeten goed met veranderingen kunnen omgaan. Maar het onderwijs is van oudsher juist gericht op zekerheden: docenten weten de antwoorden, en als jij die ook geeft , dan doe je het goed. Maar als het in de praktijk net iets anders gaat, raken studenten in de war. Er verandert veel in de maatschappij en op de arbeidsmarkt. We zagen dat onze studenten kansen niet goed wisten te pakken, ondanks al hun kennis en vaardigheden. Dan gaan anderen ermee aan de haal. Dat steekt. We willen dat onze studenten kansen grijpen, want zij zijn de deskundigen op het gebied van voeding en gezondheid.”

Welke onderwijsvorm past daarbij?

“Vanuit onderwijskundig perspectief betekent dit dat we studenten niet meer opleiden met ‘er is één juist antwoord’. We laten ze kennismaken met verschillende perspectieven en diverse mogelijke antwoorden. Daarmee krijg je kritische studenten. Vroeger streefden we ernaar dat docenten allemaal hetzelfde zeiden: de docent staat voor de klas, die vertelt je hoe het moet, dat schrijf je op en dat reproduceer je ook bij een toets. Dat vinden studenten doorgaans prettig en ook veilig, maar het is niet uitdagend. Nu zeggen onze docenten wat ze zelf vinden. Dat hoeft niet altijd overeen te komen met wat anderen vinden. Ze discussiëren er ook over met de groep. Dan worden andere dingen belangrijk, zoals laten zien dat een situatie meerdere kanten heeft , welke mogelijkheden dat biedt, en hoe je dat kunt beargumenteren.”

Hoe zien die lessen er (praktisch) uit?

“We hebben een paar lokalen naast elkaar, met schuifwanden, zodat ze samen te voegen of te splitsen zijn. In elk lokaal zit een docent met een groep DIO’s. Vaak zijn de schuifwanden open en werken de groepen DIO’s en docenten van verschillende vakgebieden met elkaar en door elkaar heen, afhankelijk van de onderwerpen. We beginnen met een complexe praktijkcasus waar we studenten aan laten werken. Afhankelijk van de vragen die ze tegenkomen, sluiten ze aan bij de docent waar ze op dat moment het meeste aan hebben. Zo kun je maatwerk leveren. Dat betekent wel dat studenten zelf moeten inzien waar ze vastlopen. En docenten moeten goed kijken: wat heeft deze student of deze groep nodig? Studenten zelf komen ook met heel andere producten dan vroeger: toen schreven ze verslagen, nu maken ze apps en websites.”

Hoe reageren de studenten op de nieuwe aanpak?

“Met deze LEF-aanpak gooien we hen echt in het diepe. Want het is vooraf niet altijd helemaal duidelijk wat ze moeten doen. Bij de eerstejaars zie je dat ze wel een half jaar nodig hebben om een beetje te wennen. De meesten komen immers uit ouderwets onderwijs, dan is dit wel een sprong. We besteden er wel aandacht aan in de voorlichting en tijdens open dagen, maar je ervaart het pas echt als je het zelf moet doen. Maar er is daardoor niet meer uitval dan vroeger.”

Kent de HAN specialisaties?

“Nee. We hebben op de HAN gekozen voor een brede opleiding: iedereen wordt diëtist. Ook omdat we signalen krijgen dat ook mensen die in het bedrijfsleven of in de productontwikkeling werken echt voordeel hebben van de titel diëtist. Én van de ervaring die je opdoet in het werken met cliënten. Wij vinden voor de diëtist vier rollen relevant: die van behandelaar, voorlichter, productontwikkelaar en beleidsadviseur. Die laatste is er ingebracht op advies van het werkveld. Diëtisten worden veel vaker gevraagd om deel te nemen aan projectgroepen, maar we hoorden vanuit de praktijk dat diëtisten zich daarin niet altijd even goed weten te profileren. Dus willen we de diëtisten op dat punt wat sterker maken. De diëtist die bij ons afstudeert, moet competent zijn op alle vier de gebieden. Dat is ook een belangrijk onderdeel van de stage.”

Hoe ziet de stage eruit?

“We hebben drie niveaus in de opleiding, en daarna een jaar stage. Tijdens de stage worden de studenten getoetst op alle vier de rollen. Iedereen moet dus ook een paramedische stage in de rol van behandelaar doen. Je kunt je stage op één of meerdere plekken doen, dat is flexibel. Afhankelijk van hoeveel tijd je nodig hebt en waar je passie ligt, kun je meer of minder tijd besteden aan een bepaalde rol, maar je moet altijd voldoen aan de basiscompetenties. Dat doe je in overleg met de docentbegeleider en de stagepraktijkbegeleider. In de realiteit – dus in een baan – vervul je ook meerdere rollen. Daarom sluit deze vorm van stage goed aan bij de praktijk en is de overstap minder groot.”

Zijn er ook nadelen aan het systeem?

“De flexibiliteit die we bieden, heeft ook een keerzijde. Studenten moeten voor zichzelf goed helder krijgen wat ze kunnen en wat ze willen. Er is veel mogelijk, maar daarmee is het ook onzekerder; dat vindt niet iedereen fijn. Maar van die onzekerheid en het in het diepe gooien leren ze zó veel. Ook organisatorisch vergt het wel wat meer afstemming. Het is een hele revolutie, en we zijn wel aan het zoeken hoe we dat nog beter kunnen stroomlijnen.”

Hoe zijn de reacties vanuit het ‘oude’, traditionele werkveld?

“Waar het werkveld bezorgd over is, is of er wel genoeg harde kennis in de opleiding aanwezig blijft. Vanuit de gedachte: als er meer bijkomt, moet er ook wat vanaf. En of dat dan niet ten koste gaat van de kwaliteit. Wij denken van niet. Het is meer dat we het in een andere vorm gieten. En misschien is onze aanpak wel wat efficiënter, want de kennis wordt direct toegepast in de praktijk. Studenten moeten bijvoorbeeld in het tweede jaar op zoek naar een probleem uit een praktijk op het gebied van diëtistisch handelen en daar een innovatieve oplossing voor bedenken. Daar komen echt hele leuke dingen uit.”

Hoe is de samenwerking met de praktijk?

“De gezondheidszorg verplaatst zich steeds meer naar de wijk, interprofessioneel. We hebben nu met de HAN een stuk of tien leerwerkplaatsen in de praktijk, de sparkcentres (zie www.sparkcentres.nl). Tweedejaars gaan daar volgend jaar met studenten van andere opleidingen aan de slag met vragen uit de wijk. Dat is nieuw, en logistiek een gigantisch project. Bovendien is het voor docenten nieuw dat collega’s van andere opleidingen jouw studenten begeleiden. Dat is ook weer heel spannend, maar wel leuk! En het sluit mooi aan bij het rapport Anders kijken, anders leren, anders doen van de commissie Innovatie Zorgberoepen en Opleidingen.”

Wat hoop je voor de toekomst?

“We hopen dat diëtisten op deze manier mondiger en beter zichtbaar worden. Er zit bij ons zoveel kennis, maar anderen weten zich vaak handiger ‘in the picture’ te werken. Dat moeten wij meer doen. Ik stoor me eraan als ik bij tv-programma’s voedingsconsulentes het woord hoor doen. Dan denk ik: daar hoort een diëtist te zitten. De ontwikkelingen die je in het onderwijs ziet, zie je ook in het werkveld. We hebben elkaar hard nodig. Ik denk dat we daarin ook meer kunnen optrekken met de NVD. Gezamenlijk bedenken hoe we ervoor kunnen zorgen dat diëtisten op de juiste plekken in de maatschappij aan het woord komen. Voor onze afgestudeerden is het essentieel dat zij zich straks ook leefstijlcoach mogen noemen. We moeten samen bekijken wat daarvoor nodig is.”

Welke boodschap moet na dit interview blijven hangen?

“Dat de diëtetiek in beweging is en dat we op de HAN flinke stappen maken in die verandering. En dat je lef moet hebben om in veranderingen mee te gaan en soms zelfs voorop te lopen. En ja, dan stoot je af en toe je neus. Maar daar moet je niet op afgerekend worden. En ik zou het mooi vinden als we allemaal ook écht in die driehoek gaan leren: op de opleiding, maar ook in de praktijk. Kijk wat we je van elkaar kunt leren! Dat gebeurt al, maar dat moet nog meer. Wij leren ook heel veel van studenten. Bijvoorbeeld dat zij de manier van leren met een koppeling naar de praktijk veel leuker vinden. Niet alle weetjes over vitamines in je hoofd stampen, maar begrijpen: wat doet dit vitamine nou met deze patiënt? Ervaren waarom je iets doet, dat motiveert enorm.”