Log in
Insulineresistentie is een conditie waarin cellen van het lichaam onvoldoende reageren op het hormoon insuline. Chronische insulineresistentie kan, in combinatie met andere factoren, leiden tot diabetes mellitus type 2 en kan de vaatwand aantasten. Maar tijdens acute ziekte is insulineresistentie juist een beschermingsmechanisme. In dit overzichtsartikel bespreken we hoe het mechanisme precies in elkaar zit, welke gevolgen het kan hebben en welke interventies invloed hebben op insulineresistentie.
dr. Kirsten Berk, dr. Adrie Verhoeven

Insuline zorgt voor opname door de lichaamscellen van glucose, aminozuren en vetzuren afkomstig uit de voeding. Deze nutriënten kunnen worden verbrand voor de energievoorziening van de cel, of worden opgeslagen in de vorm van respectievelijk glycogeen, eiwitten en triglyceriden. In tegenstelling tot glycogeen en eiwitten is de opslagcapaciteit van triglyceriden in het vetweefsel haast onbeperkt. Het lichaam heeft daarom de voorkeur om het overschot aan dagelijks glucose- en aminozuuraanbod te verbranden of om te zetten in vetzuren. Insuline stimuleert de vorming van triglyceriden uit vetzuren, en remt het vrijkomen van vetzuren uit triglyceriden (lipolyse).1 Een chronisch energieoverschot leidt altijd tot meer vetstapeling, onafhankelijk van de samenstelling van de voeding.

Insuline: werking

Wanneer insuline bindt aan de insulinereceptor, wordt in de cel een cascade van reacties in gang gezet. Deze leiden uiteindelijk tot de activatie van de glucoseopname, glycogeensynthese en vetzuursynthese. En ook tot de onderdrukking van de nieuwvorming van glucose en de lipolyse (figuur 1). In