Lees verder
Françoise Langens is als huisarts zeer begaan met goede voeding. Ze verzorgt nascholingen voor huisartsen, onder andere over overgewicht en obesitas bij kinderen. We spreken met haar over de dingen waar huisartsen tegen aanlopen, en hoe ze daarbij geholpen kunnen worden.
Wendy van Koningsbruggen

Zitten overgewicht en obesitas voldoende in het systeem van huisartsen?

“Gelukkig steeds meer. Ik geef al meer dan tien jaar nascholingen over overgewicht en obesitas bij kinderen aan huisartsen. Wat me de laatste jaren echt opvalt, is dat ze het nu in elk geval zíen. Voorheen beschouwden ze overgewicht of obesitas niet als een geneeskundig probleem, en dus niet als hun probleem. Ze signaleerden het daarom ook niet bij hun patiënten. Dat is nu echt anders. Huisartsen zien dat overgewicht een belangrijk gezondheidsprobleem is, dat ook bij hen thuishoort. Maar… het ontbreekt hun aan de vaardigheden om het aan te pakken. Ze voelen zich onmachtig.”

Waarin zit ’m die onmacht precies?

“Een probleem signaleren is één ding, maar als je vervolgens niet goed weet wat je eraan doen moet, geeft dat een gevoel van onmacht. Ze weten niet precies waar ze de juiste informatie moeten vinden. Bovendien vinden ze het lastig om overgewicht bespreekbaar te maken. Het onderwerp ligt vaak erg gevoelig, zowel bij de ouders als bij het kind. Ouders willen de bemoeienis niet of zijn bang dat hun kind gekwetst wordt. De drempel is dus hoog. Artsen hebben in het algemeen meer met ‘harde onderwerpen’, zoals diabetes of COPD.”

Welke hulp kun jij ze met de cursus bieden?

“Ik laat vooral zien waarom een gezond gewicht zo belangrijk is. Naast de bekende risico’s – zoals diabetes en hart- en vaatziekten – noem ik ook minder voor de hand liggende zaken, zoals slaapapneu, sociale aspecten, het niet zwanger kunnen raken, en de rol van erfelijkheid. Daarnaast bespreek ik de NHG-standaard Obesitas bij kinderen en noem ik bronnen voor betrouwbare en praktische voedingsinformatie. Ook geef ik tips om de gevoeligheden te omzeilen.”

Hoe omzeil je de gevoeligheden?

“Ik benadruk dat het belangrijk is om goed te kijken naar een kind. Elk kind komt op het spreekuur met één of meerdere klachten: soms is dat een specifieke klacht, maar vaak gaat het om ‘niet fi t zijn’, ‘niet lekker in hun vel zitten’. Kijk vooral naar het totaalplaatje, vraag wat hen bezighoudt. Dan komt leefstijl vanzelf ter sprake. Daarin kun je dan de voeding meenemen. Niet de volle aandacht op het gewicht leggen, maar proberen het te duiden: dat je je met een gezond gewicht fitter voelt, dat je makkelijker opstaat, dat soort dingen. Als je dat bij elk kind doet, is het ook niet meer zo spannend om dat te doen bij een kind met ernstig overgewicht.
Vaak zijn de ouders en kinderen blij dat je het op die manier aansnijdt. Ze zitten ermee, maar vinden het zelf ook vaak lastig om erover te beginnen.”

Vragen kinderen om een speciale aanpak?

“Ik blijf altijd heel erg bij mezelf. De kinderen voelen dat ze een probleem hebben en weten daar niet goed raad mee. Het helpt dan niet als je uitstraalt dat jij het allemaal zo goed weet. Dan voelen zij zich dom en dat maakt ze onzeker. Dus ik stel me eerlijk en kwetsbaar op en zeg: ‘Ja, ik vind het ook lastig, hoor. Ik weet dat ik twee keer fruit moet eten, het ligt op de schaal, ik vind het lekker… en tóch lukt het me niet elke dag!’ Dat werkt goed. Verder is het belangrijk om niet te oordelen. Kinderen met overgewicht zijn vaak gekwetst en onzeker. Het bestraff ende vingertje hebben ze al te vaak gezien. Beter is te benadrukken dat ieder mens anders in elkaar zit: sommige kinderen zijn sportief, anderen minder, die moeten iets harder trainen. Sommigen zijn slank, anderen wat dikker, dus die moeten beter op hun voeding letten. En er zijn er ook die juist te weinig eten. Dat is overigens ook een steeds vaker voorkomend probleem.”

De keerzijde van de medaille?

“Ik zie – vooral de laatste jaren – steeds meer kinderen met eetstoornissen. Sommigen, voornamelijk meisjes, zijn heel nauwgezet met hun voeding bezig. Ik zeg niet dat het komt door alle aandacht voor overgewicht, maar die enorme controle kan inderdaad ook doorslaan naar de andere kant. Ook hier geldt: kijk naar het kind dat voor je zit. Ze hoeven nog niet eens graatmager te zijn, maar als je goed kijkt en luistert, zie je al heel snel welke problemen er spelen. Het patroon is hetzelfde als bij kinderen die te zwaar zijn: ze komen doorgaans met klachten dat ze moe zijn, vaak ziek zijn, flauwvallen. Je kunt dat heel makkelijk bespreekbaar maken als je er vooral niet te moeilijk over doet. Je biedt ze daarmee een uitweg.”

Is er bij de studie geneeskunde en op de huisartsenopleiding voldoende aandacht voor voeding?

“Nee, absoluut niet. We hadden één boek over voeding, waarin we bij de verschillende vakken dingen konden opzoeken, maar dat was het wel zo’n beetje. We kregen het zelfs niet bij biochemie. Ik ben bang dat het nog niet veel beter is geworden; ik denk dat mijn kinderen bij biologie meer leren dan ik ooit in de hele opleiding gehad heb. Een slechte zaak, want gezonde voeding is echt de basis. Er is geen specialisme in de geneeskunde dat níet met voeding te maken heeft. Voeding zou naar mijn idee als apart onderwerp al vroeg in de opleiding behandeld moeten worden, en later weer aan bod moeten komen bij de diverse ziektebeelden. Voeding is belangrijk. En leuk. Want als je het aantrekkelijk brengt, is iedereen enthousiast. Dat merk ik ook in de cursussen.”

Hoe belangrijk is de samenwerking met de diëtist?

“Een huisarts kan het niet alleen. Die moet als eerste aanspreekpunt voornamelijk signaleren, en vervolgens doorverwijzen naar de specialist. Multidisciplinaire samenwerking is cruciaal. Als dat eenmaal loopt, heb je daar zó veel voordeel van. Elkaar kennen, weten wat de ander doet, goede terugrapportage… dat werkt. Je weet dan wat je aan elkaar hebt. Patiënten vinden dat ook prettig. Dan komen ze bij jou en zeggen: ‘Ja, maar de diëtist zei dit en dat…’ Dat bespreek je dan. En je kunt altijd even contact opnemen. Korte lijnen zijn dan handig en prettig. Het is goed om als huisarts te weten wat de mogelijkheden van andere disciplines zijn en vice versa. En mooi voorbeeld hier in Amersfoort is het leefstijlprogramma KeiVitaal voor kinderen met overgewicht. Daarin werken verschillende disciplines zeer succesvol samen. En bij dat soort projecten is het een groot voordeel als de gemeente het belang inziet en meewerkt.”

Welke rol spelen de POH-ers?

“De praktijkondersteuners zijn voor huisartsen heel belangrijk. Zij krijgen veel vragen over voeding, dus we kunnen maar beter zorgen dat ze voldoende kennis hebben om patiënten hier goed over voor te lichten. En als ze patiënten ervan weten te overtuigen dat je met goede voeding echt minder medicijnen nodig hebt, dan wil die patiënt uiteindelijk wel naar de diëtist. De angst voor ‘concurrentie’ op dat gebied is ook geheel onterecht. In de benadering van huisartsen zijn de POH-ers een goede eerste stap. Als de huisarts beseft wat voeding doet en hoe belangrijk het is, gaat hij of zij vanzelf meer contact zoeken met een diëtist. Dus het bijt elkaar niet; het vult elkaar juist aan.”

Welke bronnen zijn belangrijk voor huisartsen?

“De NHG-standaard Obesitas is een goede basis, maar er moet wel een praktisch vervolg bij. Veel artsen hebben het handboek Kleine kwalen bij kinderen op hun bureau liggen; dat is een bron die ze vertrouwen. En praktische websites waar je samen met een patiënt naar kunt kijken, zijn ook heel handig. De website van het Voedingscentrum is een voorbeeld, maar daar staat wel erg veel informatie op, en de laatste jaren iets minder specifiek voor de huisarts. Met de nieuwe website bij de Schijf van Vijf zal dat misschien beter gaan, ik ben benieuwd. De Artsenwijzer Diëtetiek wordt zover ik weet weinig gebruikt. Als die straks digitaal is, hoop
ik dat dat beter zal worden. Het is goed als de NVD stevig inzet op de promotie daarvan.”

Waar liggen verder nog kansen?

“We gaan samen met het Voedingscentrum een nascholing Voeding voor huisartsen ontwikkelen. Dat is hartstikke mooi, want het Voedingscentrum heeft helaas niet bij alle huisartsen een even goede naam! Het is ook goed om nog eens duidelijk te maken dat het Voedingscentrum een onafhankelijke instantie is. Dat weten gek genoeg niet alle huisartsen. En daar zijn ze wel gevoelig voor. Dat vind ik soms ook wat lastig bij websites en projecten van diëtisten; daar zie ik dan wat commercie, en dan vraag ik me af hoe onafh ankelijk en betrouwbaar dat is. Het moet voor huisartsen heel duidelijk zijn waar ze toegankelijke, betrouwbare en praktische
informatie over voeding kunnen vinden. En we moeten de komende vijf jaar inzetten op goede – liefst gratis – nascholing voor huisartsen en POH-ers.”

Bereik je met nascholing niet alleen maar de groep die toch geïnteresseerd is in voeding?

“Ja, dat is wel het ‘gevaar’. Er zijn bij huisartsen geen eisen over de onderwerpen waarover nascholing gevolgd moet worden. Ik geef de nascholing daarom graag tijdens een drie- of vierdaagse nascholing waar over meerdere onderwerpen wordt gesproken. Dan pikken ook de minder geïnteresseerden de nascholing over overgewicht vaak even mee. En dan merk je altijd dat ze het heel leuk vinden om er meer over te weten.”

Dus er is hoop?!

“Zeker. Het hoeft helemaal niet zo ingewikkeld. Gezonde voeding is in de basis heel simpel; dat is al jaren hetzelfde. Maar alle verleidingen maken het lastig. De moeilijkheid zit ‘m meer in het gedrag dan in de voeding zelf. Dus om het eenvoudig en toegankelijk te houden, is er niets mis met een standaardlijst, een houvast. En op basis van dat lijstje kun je dan kijken wat voor een bepaalde patiënt de specifieke eisen of uitzonderingen zijn. Informatie moet goed onderbouwd, maar vooral ook praktisch zijn. Huisartsen hoeven niet zelf diëten uit te schrijven. Als ze maar weten wat wanneer nodig is. Dan kunnen ze op tijd een diëtist inschakelen.”