Lees verder
Vijf jaar geleden begon Hinke Kruizenga als hoofdredacteur van het NTVD. Enkele van haar doelen: wetenschappelijke kennis vertalen naar de praktijk en haar eigen kennis van de diëtetiek verbreden. Is haar dat gelukt? En waar liggen de nieuwe uitdagingen?
Wendy van Koningsbruggen

Waarom stop je?


“Om te beginnen wil ik zeggen dat ik absoluut niet stop omdat ik het geen leuke functie vind, want ik heb echt genoten van deze vijf jaar NTVD. Het is geweldig om wetenschap te vertalen naar de praktijk, om op zoek te gaan naar nieuwe ontwikkelingen in de diëtetiek, om de mooie dingen uit te lichten en nieuwe gebieden te exploreren. Maar het was ook wel veel, de combinatie van twee veeleisende banen. Dat heb ik vooral in de coronatijd ervaren. Het is nooit klaar; je bent áltijd aan het werk. Daardoor is er geen ruimte voor iets nieuws. Niet in je agenda en ook niet in je hoofd… Ik ben wel weer toe aan een nieuwe uitdaging. En daar heb je honderd procent focus voor nodig. Dus het is een goed moment voor deze stap.”

Met welke ideeën begon je aan de baan?

“Ik wilde vooral onderzoek vertalen naar de praktijk: begrijpelijk schrijven, een praktische boodschap overbrengen. In de internationale tijdschriften wordt veel onderzoek gepubliceerd, maar het werkveld – de gemiddelde diëtist – leest en ziet dat te weinig. Daar wilde ik echt een slag in maken. Dat deed ik al bij de Stuurgroep Ondervoeding. Hier heb ik onder andere de website gebouwd en veel lessen en presentaties gegeven. In die tijd heb ik ook, samen met mijn VUmc-collega Nicolette Wierdsma, het Zakboek diëtetiek geschreven. Dat vond ik ook erg leuk om te doen: informatie over een onderwerp verzamelen, schrijven en dat vervolgens doorgeven. Om daarna hierover met elkaar in discussie te gaan. De functie als hoofdredacteur lag in het verlengde daarvan. Daarom heb ik daar destijds meteen op gesolliciteerd.”

Wat heb je in die vijf jaar geleerd?


“Mijn visie op de diëtetiek is enorm verbreed. Direct na mijn opleiding kwam ik terecht in de academische omgeving van het VUmc. Hier was ik vooral gericht op ondervoeding. Als projectleider bij de Stuurgroep heb ik wel veel gedaan in de eerste lijn en verpleeghuizen, maar dit was ook alleen maar op ondervoeding gericht. In deze functie van hoofdredacteur heb ik de diëtetiek in de volle breedte leren kennen; ik heb me beziggehouden met alle onderwerpen en alle sectoren. Daar heb ik ontzettend veel van geleerd. Ik heb ook alle kansen aangegrepen. Daarnaast heb ik beter leren schrijven: goed de essentie pakken en dat weten over te brengen. Al met al zeer leerzaam en erg leuk.” 

Dus je missie is geslaagd?

“Jazeker! Ik had ook het geluk dat we net aan een nieuwe website gingen bouwen. In dat verband wil ik graag de bijzondere samenwerking met Performis noemen, de uitgever van het NTVD. Samen hebben we ons kennisplatform www.NTVD.media gebouwd. Dat was een geweldige ervaring: een enorme klus, maar met een prachtig resultaat! Een innovatief project voor alle partijen ook. We hebben daarmee iets neergezet wat elke diëtist kan gebruiken en ook voor het onderwijs een geweldige aanwinst is. Door het platform zijn ook de banden met de leden, het werkveld en de netwerken weer versterkt. Mensen weten het NTVD beter te vinden. Daar mogen we trots op zijn!”

Wat was jouw persoonlijke bijdrage?

“De wetenschappelijke kennis vertalen. We zijn juist niet – zoals mensen misschien wel van mij verwachtten – meer wetenschappelijke artikelen gaan publiceren. We hebben bijvoorbeeld wel de rubriek Onderzoek in de Praktijk uitgebreid. Dat vind ik misschien wel de allerbelangrijkste rubriek in het tijdschrift: dat mensen onderzoek doen en in het kort, op twee pagina’s, vertellen wat ze hebben gevonden én wat de toepassing daarvan is voor de praktijk. Ook de casuïstiek in het tijdschrift vind ik belangrijk. Diagnostiek is ontzettend belangrijk en ik heb juist op die diagnostische stap veel nadruk gelegd. Want alleen daarmee kunnen we onze behandeling goed evalueren.”

Wat was de grootste verrassing?

“Wat er allemaal komt kijken bij het maken van een tijdschrift! Dat hele proces: niet alleen kopij verzamelen, maar ook de foto’s regelen, grafieken en andere mooie plaatjes uitzoeken. En alle redigeersessies! Het ene artikel kan praktisch zo geplaatst worden, het andere is een bevalling van weken. Daarnaast de vele proeven controleren, het passen en meten, punten en komma’s plaatsen, schrappen en bijschrijven… Een hele operatie, dat kende ik helemaal niet. Heel erg leuk en interessant om dat van A tot Z te doorlopen. En aan net eind van de rit ligt er dan weer een mooi exemplaar op de mat. Dat is elke keer toch weer een bijzonder moment!”

 Hoe was de taakverdeling binnen de redactie?

“Die was perfect! We zijn een geweldig team. Ik heb dat heel vaak genoemd als ideaal voorbeeld. We zijn alle drie heel verschillend en hebben allemaal onze eigen taken en dingen waar we het beste in zijn; dat sluit perfect op elkaar aan. Ik ben meer van de grote lijnen, van het netwerken en van het binnenhalen van artikelen. Jij bent het ‘geweten’ van het tijdschrift, de interviewer, de taalkunstenaar en ‘chef beeld’. En Caroelien heeft naast haar redactionele aandeel weer een heel andere link met de praktijk: zij vertegenwoordigt de onderwijskant, heeft netwerken als VoedNed, en is de coördinator van onze wetenschappelijke adviesraad. We vullen elkaar goed aan en dat werkt ontzettend prettig. Ik zal die samenwerking ook echt gaan missen.”

 Welke eigenschappen moet je hebben?

“Je moet nieuwsgierig en geïnteresseerd zijn. En zin van onzin kunnen onderscheiden. Gepromoveerd zijn is niet per se nodig, maar toch wel een pre, denk ik. Je hebt een behoorlijke wetenschappelijke achtergrond nodig om de informatie goed op waarde te kunnen schatten, vooral het juist inschatten van de evidence en onderzoeksmethodiek: welke methodiek hoort bij welke uitspraak? Daarnaast moet je goed kunnen schrijven. Veel is te leren, maar een bepaalde basis is zeker nodig. En je moet het leuk vinden om te delen. Dus ook Facebook, Instagram en LinkedIn bijhouden. Dat moet een soort tweede natuur zijn. Het NTVD is niet alleen een tijdschrift; het is veel meer.”

 Wat is minder goed uit de verf gekomen?

“Ik vind het jammer dat er zo weinig reacties komen. Er is weinig feedback vanuit het veld, de lezers. Dat is me nogal tegengevallen. Zo nu en dan komt er iets op Twitter voorbij, maar dat is echt heel minimaal. Ik had eigenlijk ook wel gehoopt dat we op het kennisplatform wat meer discussie zouden krijgen. Toch komt het ook daar niet echt van de grond. Het bestaansrecht van zo’n kennisplatform is juist het uitwisselen van meningen en inzichten. En er is ruimte is voor kritiek; daarmee komen we juist verder! Hierbij roep ik dan ook alle lezers op: laat weten hoe je ergens over denkt! Die paar keer dat er wel een reactie kwam op een artikel, zoals dat van Ingeborg Brouwer over vetten, was dat erg leuk én nuttig.

Meer discussiëren dus?

“Ja! Daarvoor bestaat ook de rubriek De Kwestie, maar daar hebben we er in die vijf jaar ook maar weinig van gehad. Gewoon: twee inzichten tegenover elkaar en daarover op een opbouwende manier met elkaar in discussie gaan. Dat is zo waardevol. Dat moeten we écht meer doen. Maar op een of andere manier bestaat er schroom. Het is ons tot op heden blijkbaar nog te weinig gelukt om de juiste, veilige sfeer te creëren om je daar vrij in te voelen. Want die discussies zijn er op de werkvloer zéker wel! Dus laten we die vooral met z’n allen voeren. Dat heeft ons vak nodig. En het kan er alleen maar beter van worden.”

Laten we die discussies vooral met elkaar  voeren, in het  tijdschrift en online

Hoe zie je de toekomst van het NTVD?

“We hebben een mooi vakblad, met bijbehorend kennisplatform. Dat wordt het nieuwe jaar geïntegreerd met de NVD-website, zodat het deel uitmaakt van de kennispoot. Het gedrukte tijdschrift blijft denk ik bestaan. Mensen vinden het fijn om een blad in handen te hebben waar ze op de bank in kunnen lezen. Bovendien is het een mooi visitekaartje, iets tastbaars. Dat behoudt voorlopig nog wel z’n waarde. Een keer per twee maanden is voorlopig een mooie frequentie. En ook de themanummers zijn waardevolle edities. De website is ook heel belangrijk, omdat je daar het laatste nieuws op kunt zetten. De artikelen kunnen bovendien net iets uitgebreider dan in het tijdschrift geplaatst worden, en je kunt mooie links leggen. En er vanaf nu die discussies voeren natuurlijk!”

 En het NTVD als onderdeel van de NVD?

“We kunnen nog wel een slag maken met het beter betrekken van de wetenschappelijke adviesraad: van het NTVD bij de héle NVD. Er zijn nu heel mooie ontwikkelingen gaande op het gebied van de Kennisagenda diëtetiek, met bijvoorbeeld de gezamenlijke subsidieaanvraag door alle lectoraten. Dus ik denk dat bij de verdere vertaling van de wetenschap naar de praktijk, de ‘kennispoot’ van de NVD nog meer geïntegreerd kan worden. Meer synergie tussen de verschillende activiteiten in het werkveld op gebied van zorg, onderwijs, onderzoek en innovatie.”

Las je zelf als student het NTVD?

“Het stond op de verplichte boekenlijst. Het werd voor mij pas interessant toen ik mijn paramedische stage deed. Ik bladerende het altijd wel door, maar pas toen ik die stage liep in het AZL in Leiden (nu LUMC) vond ik het ineens ontzettend interessant. Ik denk ook zeker dat wij een rol hebben in het enthousiasmeren van studenten. Daarom zijn we de samenwerking met de docenten van de opleidingen diëtetiek ook aan het uitbreiden. Daar liggen nog mooie kansen. Studenten kunnen nu voor 50 euro per jaar lid worden van de NVD. Hiervoor ontvangen ze het tijdschrift, de nieuwsbrief en onbeperkt toegang tot het kennisplatform.”

Hebben jouw twee banen elkaar versterkt?


“Jazeker. Mijn interesse, kennis en netwerk zijn veel breder geworden dan alleen ondervoeding. En omdat ik bij het Amsterdam UMC onderwijs en onderzoek van de afdeling Diëtetiek coördineer, heb ik nu ook meer feeling bij de andere onderwerpen. Het diëtetiekteam daar, is geweldig ambitieus. Er wordt veel geschreven, dus ik had ook altijd maar een half woord nodig om mensen een mooi artikel te laten schrijven. Dat gebeurde ook regelmatig. Dus het was een leuke en vruchtbare combinatie, die twee kanten op heel waardevol is geweest.”

 Wat zijn nieuwe uitdagingen voor jou?

“Voeding en beweging. Dat is kort gezegd de nieuwe koers in het Amsterdam UMC. Ook daar blijft de integratie van patiëntenzorg, onderzoek, onderwijs en innovatie de grote uitdaging. Peter Weijs is nu sinds twee jaar hoogleraar Voeding en beweging. Op dat vlak is nog ontzettend veel te doen. Er loopt veel onderzoek, maar dat loopt ook vaak langs elkaar heen. Daarom willen we een expertisecentrum voor voeding en beweging oprichten. Voor optimale synergie tussen alle initiatieven hebben we vanuit de afdelingen Diëtetiek en Fysiotherapie een gezamenlijke subsidieaanvraag ingediend. Daarnaast wil ik ook weer deeltijd patiëntenzorg gaan doen – ongeveer een dag in de week – om weer echt diëtist te worden, in de praktijk metingen uit te voeren en te zien hoe dat werkt. In plaats van er ‘alleen’ over te schrijven!”