Lees verder
We hebben een hoogleraar Diëtetiek! Op 1 juni wordt dr. Marian de van der Schueren namens de NVD benoemd tot bijzonder hoogleraar Diëtetiek aan Wageningen University & Research (WUR). De missie van ‘onze’ nieuwe professor is onderzoek en praktijk op elkaar te laten aansluiten, zodat er een bredere basis komt te liggen onder evidence based dietetics. Hiervan moeten álle diëtisten kunnen profiteren.
Wendy van Koningsbruggen

Gefeliciteerd! Wat ging er door je heen!?

“Ik ben heel blij dat het hoogleraarschap Diëtetiek nu definitief een feit is! Ik ben alle betrokkenen, met name de NVD en de WUR, dankbaar dat het nu echt gaat gebeuren. Én dat ik deze voortrekkersrol mag vervullen. Naast mijn functie aan de HAN ga ik me hier een dag in de week mee bezighouden. Ik heb er ontzettend veel zin in om samen met álle diëtisten in Nederland ‘het cohort diëtist.nl’, zoals ik dat noem, naar een hoger plan tillen!”

Wat wordt de insteek van de leerstoel?

“Uit het Hoofdlijnenakkoord paramedische zorg is – naast die van andere paramedische beroepsgroepen – de Kennisagenda Diëtetiek voortgekomen. Daarin staan de belangrijkste aandachtspunten voor het diëtistisch onderzoek voor de komende jaren. Op basis hiervan heeft ZonMw een meerjarenonderzoeksprogramma uitgeschreven. Een van de belangrijkste aandachtpunten hierin is: met evidence based diëtetiek laten zien dat diëtetiek een plek verdient in de academische wereld. Dit doen we met diëtisten zelf, maar ook met vele partners. We gaan laten zien dat we niet het vakgebied zijn van ‘die lieve meisjes’, maar dat we er écht toe doen: dat we ons handelen kunnen onderbouwen met maat en getal. De insteek zal zijn: evidence based diëtetiek op basis van practice based evidence.”

Hoe is de keuze uit de Kennisagenda gemaakt?

“Daarin zijn voor de komende jaren zeven aandachtsgebieden benoemd. ZonMw, dat subsidies verstrekt, geeft bij ons prioriteit aan de onderbouwing van de effectiviteit van diëtetiek. Daarop steken we in eerste instantie in, op basis van een voorstel dat we nu aan het schrijven zijn. Maar veel breder is de Kennisagenda er ook voor alle diëtisten in Nederland. Op welk niveau je ook onderzoek wilt doen, iedereen die is geïnteresseerd in het doen van onderzoek kan daaruit putten. Want het geeft de lacunes aan waarop we antwoorden willen. Dus ben je geïnteresseerd in onderzoek, sla de Kennisagenda Diëtetiek er eens op na! Kijk wat er nog moet gebeuren en zoek samenwerking.”

Hoe ziet dat er in de praktijk uit?

“Neem overgewicht. Er is vanuit klinische trials meer dan genoeg bewijs dat mensen in een interventiegroep meer gewicht verliezen dan mensen in een controlegroep. Maar in de praktijk blijkt dat twee derde van de mensen afhaakt, of dat de behandelduren toch niet gehaald worden. De praktijk is dus een stuk lastiger. De vertaling van onderzoek naar de praktijk is een van de aspecten die veel aandacht zal krijgen in deze leerstoel. Wat heeft de diëtist in de praktijk nodig? Wat heeft de cliënt nodig? Hoe ziet het optimale consult eruit? Is dat voor patiënt A hetzelfde als voor patiënt B? Of moeten we toch naar een personalized approach? Welke data moeten we daarvoor verzamelen? Hoe doe je dat? Wat betekent dat voor de bedrijfsvoering van de diëtist? Welke middelen hebben we nodig: e-health, nutritional assessment, intakeregistratie? We gaan dus echt de vertaalslag maken naar het werken in de praktijk, én uit die praktijk de data halen om aan te tonen dat de diëtist waardevol is.”

Wie zijn ‘we’?

“We willen alle diëtisten in Nederland in ons onderzoek meenemen. Ik noem dat graag: het cohort diëtist.nl. We richten ons zeker niet alleen op een paar diëtisten die aan de universiteit verbonden zijn. Want juist omdat het practice based evidence is, hebben we de ervaring en medewerking vanuit het volledige werkveld nodig. We gaan dus als eerste een voorstel indienen voor het ZonMw-onderzoeksprogramma Paramedie. Daar betrekken we de vier hogescholen bij, maar ook het werkveld en bijvoorbeeld technologiepartners, partners op het gebeid van dataverzameling en van laaggeletterdheid. Heel breed dus.”

En wat is de precieze link met de WUR?

“Ik word gestationeerd binnen de divisie Humane Voeding en Gezondheid, onder leiding van professor Edith Feskens. Maar diëtetiek is niet alleen voeding, dus ik kan me ook voorstellen dat er verbanden komen met andere professoren, zoals professor Ellen Kampman, over voeding en kanker, professor Lisette de Groot over voeding en ouderen, en professor Emely de Vet over gedragsverandering. Het doel is breed samenwerken. Bij ieder nieuw onderzoeksvoorstel dat geschreven wordt, zoeken we logische partners. Het gaat altijd over een consortium. De kracht van zo’n leerstoel is verbinding zoeken en dan samen iets moois neerzetten. Nederland is veel te klein om elkaar te beconcurreren. Ik werk aan de HAN en de onderzoekslijnen zullen in elkaars verlengde komen te liggen. Het mooie is dat we zo evidence, bij de WUR, en practice, bij de HAN, heel mooi op elkaar kunnen laten aansluiten. En, nogmaals, de eindresultaten van het onderzoek zullen voor iedereen beschikbaar zijn.”

Wat zijn de eerste concrete stappen?

“We schrijven nu dus een onderzoeksvoorstel voor ZonMw, dat binnenkort ingediend moet worden. Dat gaan we uitwerken in diverse vervolgstappen. Verder heb ik samen met de WUR al een promovendus, en er volgen er nog meer. Ook ga ik een bijdrage leveren aan onderwijs binnen Wageningen Universiteit. Uit onderzoek onder doorstromers vanuit de diëtetiek is duidelijk geworden dat er wel wat meer diëtistspecifieke inbreng in het curriculum gewenst is: dus meer het diëtistisch perspectief aanbrengen in de bestaande vakken. Ik ga meedenken over hoe dit verder te ontwikkelen is. En misschien moet er wel een diëtistische master komen. Dat gaan we exploreren.”

Hoe blij is de WUR met ons?

“Wageningen heeft óók de wens om de hele lijn te beslaan, om de keten van voeding helemaal tot het eind af te maken: van experimenteel naar preventie, dan voeding en gezondheid, en uiteindelijk voeding en ziekte. Dat ontbrak bij hen nog. Daarom is het ook voor Wageningen heel interessant dat er een leerstoel Diëtetiek in hun gelederen komt. Er zitten daar natuurlijk een heleboel voedingswetenschappers, en ik denk dat de combinatie voedingswetenschappers en diëtetiek heel leuk en complementair is. Dat zeggen ze in Wageningen ook: we weten al wat goede voeding is, maar aanpassing daarvan richting preventie of behandeling van ziekten is een aparte professie. Daar valt veel winst te behalen. Die winst moet komen uit jullie beroepsgroep.”

Hoe ben jij veranderd sinds 2013?

“Je doelt op mijn ambitie om hoogleraar te worden bij de afdeling Diëtetiek en Voedingswetenschappen, destijds bij het VUmc? (Zie ook het interview in NTVD 2013 nummer 6, pagina 18, red). Ik was toen natuurlijk teleurgesteld, maar achteraf gezien ben ik er blij om. Ik heb in de tussentijd een belangrijke ontwikkeling doorgemaakt. Zeven jaar geleden was ik net begonnen bij het lectoraat aan de HAN. Dat heeft mijn blik echt enorm verruimd. Daarvoor had ik 25 jaar in het ziekenhuis gezeten. De taal die ik sprak, was de taal van de ziekenhuisdiëtist. Ik denk dat ik nu ook de taal van de eerste en tweede lijn spreek, en daardoor veel meer de breedte van het vakgebied kan bestrijken.”

Hoe verschillend zijn die talen?

“Je ziet dat er wel verschillen zijn in de manier van werken. Ik heb in een academisch ziekenhuis gewerkt. Daar doe je natuurlijk veel meer aan onderzoek dan in bijvoorbeeld een streekziekenhuis. Dataverzameling zit daar meer ingebakken. Maar dat is behoorlijk uniek. Uit onderzoek in de eerste en tweede lijn vanuit het lectoraat zien we een enorme wil van diëtisten om deel te nemen aan onderzoek. Ze staan echt te trappelen. Maar we zien ook de enorme struggle om mee te doen, omdat hun bedrijfsvoering daar veel minder op is ingericht. Ze zijn minder gewend om data te verzamelen; de onderliggende faciliterende middelen ontbreken. En als ze al data verzamelen, moeten ze dat vaak dubbel doen: een keer voor hun eigen diëtistisch dossier en een keer voor het onderzoek. Kortom: de processen zijn in de eerste en tweede lijn minder efficiënt. Het enthousiasme is er, vanuit het hele werkveld, maar ook de kreet: help ons alsjeblieft. En we hebben nu de unieke kans om dat te gaan doen!”

Wat gaat de buitenwereld van ‘onze prof’ merken?

“Voor ons is het verschil tussen een voedingswetenschapper en een diëtist wel helder, maar voor de gemiddelde Nederlander niet. Die snapt er helemaal niks van. Als je iets hebt gestudeerd waar het woord ‘voeding’ in zit, is dat in hun ogen allemaal hetzelfde. Dus worden ook niet altijd de juiste experts opgeroepen. Daar ligt een taak voor ons, diëtisten en de NVD. Als het verder gaat dan gezonde voeding, dus over aanpassingen in de preventie van ziekte, of als gevolg van ziekte, dan moet je bij ons zijn. En dan moeten we ook mensen klaar hebben staan die daarover aan tafel kunnen aanschuiven. Dat kan ik zijn, of iemand anders met de juiste expertise. Maar als er een expert zit – of we er een kunnen aanhalen – met ‘prof’ voor haar naam, dan maken we alleen al daarom toch meer indruk.”

Wat is jouw motto voor de toekomst?

“De diëtetiek met z’n allen, in de volle breedte, naar een hoger plan tillen, vanuit de dagelijkse praktijk.”