Lees verder
Meer dan acht procent van de huishoudens in Nederland leeft onder de armoedegrens. Dat houdt in dat het voor hen niet altijd zeker is of er genoeg geld is om eten te kopen. Een deel van deze mensen maakt gebruik van de voedselbank. Maar met de voedingsmiddelen die daar binnenkomen, is geen volwaardig voedingspatroon samen te stellen. Judith Neter onderzoekt dit en denkt na over oplossingen.
Wendy van Koningsbruggen

Ongeveer 130.000 Nederlanders zijn afhankelijk van de voedselbank. Met hulp van 11.000 vrijwilligers bij 168 voedselbanken ontvangen zij wekelijks bijna 40.000 voedselpakketten. Ir. Judith Neter, onderzoeker bij de Vrije Universiteit Amsterdam, haalde in 2016 de voorpagina’s met haar onderzoek naar het aanbod van de voedselbank. Dit bleek vanuit voedingskundig oogpunt onder de maat. De data waren verzameld in 2010 en inmiddels zijn we enkele jaren verder. Is er iets verbeterd? Daar kan ze kort over zijn: “Er wordt veel aandacht besteed aan het verbeteren van de inhoud van de pakketten. Maar doordat veel voedselbankklanten volledig afhankelijk zijn van het pakket, ben ik bang dat ze nog steeds niet aan de voedingsrichtlijnen kunnen voldoen.”

Choquerende resultaten

Neter en haar collega’s wilden een beeld krijgen van de voedselbankklant. Ook wilden ze weten welke factoren de voedselzekerheid van mensen beïnvloeden. En of het voor mensen die afhankelijk zijn van de voedselbank überhaupt mogelijk is om gezond te eten. De voedselzekerheid vroegen ze na met een korte vragenlijst bij ruim 250 gebruikers van voedselbanken door heel Nederland. Daarin stonden vragen als: heeft u de afgelopen drie maanden wel eens minder gegeten dan u zou willen? En: had u geld om extra eten te kopen?

“De resultaten choqueerden ons”, aldus Neter. “Dat er zóveel mensen (73%) onvoldoende en/of niet gezond en gevarieerd te eten hebben. De beschikking hebben over voeding is in een welvarend land als Nederland dus helemaal niet vanzelfsprekend. En omdat deze mensen zoveel – vooral financiële – problemen hebben, is eten voor hen ook eigenlijk maar bijzaak.” Ze vervolgt: “Voornamelijk vrouwen, gezinnen met kinderen en lager opgeleiden hebben een hoger risico om voedselonzeker te zijn. Vrouwen hebben een hoog risico, omdat zij vaak eerst hun kinderen en hun eventuele man te eten geven voordat ze zelf iets nemen.”

Honger stil je niet met een komkommer

Neter denkt niet dat iedereen die voedselonzeker is ook daadwerkelijk bij de voedselbank komt. “Zeker niet. Een heel groot deel van de mensen die wel in aanmerking komen, gaat niet. Er is een enorme schaamte, dus veel mensen gaan die drempel niet over. Daarnaast is er ook een grote groep die nét geen gebruik mag maken van de voedselbank. Het gaat om strikte eisen met betrekking tot besteedbaar inkomen. Als je een euro boven de limiet zit, val je al buiten de boot.”

Als je wel gebruik van de voedselbank mag maken, kun je doorgaans een keer per week een voedselpakket ophalen. Dat is bedoeld als ‘aanvulling’ voor twee tot drie dagen in de week. In de praktijk is het echter vaak zo dat mensen er de hele week van moeten eten. “Veel mensen hebben echt het geld niet om het aan te vullen”, vertelt Neter. “En voor mensen die wel geld hebben om voedsel te kopen, is het belangrijkste criterium dat het goedkoop moet zijn. En het is natuurlijk écht wel zo dat gezond eten duurder is. Dat kan iedereen ontkennen, maar loop maar eens door de supermarkt. Ja, je kunt voor 90 cent een komkommer kopen, maar daar stil je je honger niet mee.”

Hoe is de kwaliteit van de pakketten?

Neter en haar collega’s legden de inhoud van 96 voedselpakketten van verschillende voedselbanken door Nederland naast de voedingsrichtlijnen. Daarvoor rekenden ze alles terug naar per persoon per dag, want de voedselpakketten zijn qua inhoud en hoeveelheid niet bij alle voedselbanken hetzelfde. Daaruit bleek dat als je afhankelijk bent van een voedselpakket, je absoluut niet kunt voldoen aan de Richtlijnen goede voeding.

Neter: “Nu blijkt uit onderzoek van het RIVM wel dat in Nederland niemand eet volgens de Richtlijnen goede voeding, dus we hebben onze gegevens ook vergleken met de VCP-data: de algemene bevolking en die van lager opgeleiden. Vergeleken met beide groepen eten voedselbankklanten minder gezond. Dus afhankelijk zijn van een voedselpakket maakt deze toch al kwetsbare groep extra kwetsbaar.”

Inhoud onvoorspelbaar

Het probleem zit ‘m in het feit dat voedselbanken voor hun aanbod afhankelijk zijn van de leveranciers. Dat zijn supermarkten, hun klanten, boeren en producenten: iedereen die voedsel over heeft en dat niet vernietigt. Wat aangeleverd wordt, verschilt dus van week tot week, en van voedselbank tot voedselbank. “Dus het kan zijn dat een grote supermarkt van een hele lading spruiten of broccoli af moet, of dat bij een producent de pure hagelslag in een melkhagelslagverpakking terecht is gekomen. Dat gaat allemaal naar de voedselbank. Die nemen alles aan. Want naast mensen in nood van voedsel voorzien, is een tweede missie van de voedselbank voedselverspilling tegengaan. Maar daardoor het is dus zeer onvoorspelbaar wat er in de pakketten komt.”
Daarnaast is het ook zo dat mensen toch niet altijd alles opeten. Neter: “Als er van een product heel veel in zit, of weken achter elkaar, komen die spruiten je oren uit. En de kwaliteit wordt na een week toch minder. De kwaliteitseisen voor voedselbanken zijn weliswaar streng, maar producten zoals groenten blijven niet altijd een week houdbaar.”

Voedingspatroon is te sturen

Het goede nieuws is dat het erop lijkt dat je deze kwetsbare mensen naar een gunstiger voedingspatroon kunt ‘sturen’ door het beter managen van het aanbod. Als de voeding goed en gevarieerd is, lijken ze dat ook te eten. “Dat is eigenlijk een heel mooi uitgangspunt. Dat bereiken we door kritisch te zijn op wat in de kratten terechtkomt. Daarbij is het vooral belangrijk om de aanbieders voor te lichten: consumenten, producenten en vrijwilligers van de voedselbank. Sommige bedrijven laten hun voedingsmiddelen bijvoorbeeld eerder vernietigen omdat dat makkelijker is. Dat is natuurlijk zonde! We moeten met z’n allen nadenken over hoe we meer gezonde producten bij de voedselbank kunnen krijgen.”

Een antwoord daarop is bewustwording, volgens Neter. “Er wordt al heel veel gedoneerd door bedrijven, vooral als hun voorraad eruit moet of als de houdbaarheidsdatum in zicht is. En dat zijn zowel gezonde als minder gezonde producten. Maar het kan altijd beter. Voor de vrijwilligers van de voedselbank hebben we bijvoorbeeld een document met tips opgesteld: hoe stel je vanuit voedingskundig oogpunt het ideale pakket samen met de middelen die je hebt?”

Snoep biedt geen troost

Mede om het aanbod uit acties in supermarkten te verbeteren, hebben Neter en haar collega’s een lijstje opgesteld met producten die de voorkeur hebben (zie kader). Een van de grootste fabels is dat deze mensen verwend moeten worden met snoep omdat ze ‘zielig’ zijn. “Er wordt al heel veel snoep gedoneerd. Zelf geven de voedselbankklanten aan dat ze daar letterlijk en figuurlijk genoeg van hebben en dat ze de voorkeur geven aan ‘gewoon eten’. Suggesties voor producten die mensen goed kunnen gebruiken: zilvervliesrijst, volkorenpasta, blikjes tonijn, 30+-smeerkaas en houdbare melk. Mensen worden best blij van een pak suiker of een pot mayonaise, maar dat is geen eten.”

Nul euro van de overheid

De overheid levert geen bijdrage. “Nee”, zegt Neter stellig. “Onze voedselbanken krijgen precies nul euro vanuit de overheid. Het draait volledig op vrijwilligers en giften.” Ze voegt daar fel aan toe: “Mark Rutte ontkent hiermee gewoon glashard dat er in Nederland mensen honger lijden. Als Rutte nu eens zou beginnen met het erkennen van dit probleem, dan kunnen we er met z’n állen meer aan doen. Maar het probleem is ‘ontkend’ en ‘onbekend’.”
“En”, vervolgt ze, “bedenk eens wat deze slechte voeding doet met de gezondheid van deze mensen! We hebben hun gezondheidstoestand niet gemeten in ons onderzoek, maar overgewicht en obesitas bij deze groep zijn enorm. We zouden graag willen onderzoeken hoeveel mensen diabetes hebben of een te hoog cholesterol, of een deficiëntie van bepaalde vitamines, maar dat weten we (nog) niet.”

Rol voor diëtisten en andere zorgverleners

Zorgverleners, zoals diëtisten, hebben in hun praktijk ongetwijfeld voedselonzekeren. Vanuit die ingang zou je het probleem ook goed in kaart kunnen brengen, aldus Neter: “Het zijn de patiënten met een laag inkomen of die gebruikmaken van de voedselbank, die mogelijk voedselonzeker zijn. Je herkent ze echter niet altijd onmiddellijk met het afnemen van een voedingsanamnese. Alhoewel ze wel vaak een afwijkend voedselpatroon hebben. Er zitten namelijk veel ‘niet normale’ dagen bij, waarop ze bijvoorbeeld ziek, druk, moe of gestrest zijn. Daar kun je als diëtist misschien alerter op zijn. Want de groep met de laagste SES bevat ook de mensen die het grootste risico hebben op aan voeding gerelateerde aandoeningen.”

Prevalentie onbekend

Neter heeft geen idee wat de prevalentie van voedselonzekerheid in Nederland is. Dat zou ze heel graag in kaart willen brengen. “Het zou mooi zijn als bij een volgende VCP het RIVM een specifieke voedselzekerheidsvragenlijst zou meenemen. En ik zou wel willen weten hoe het écht met de gezondheid van voedselbankklanten gesteld is. Er lopen op dit moment enkele interessante onderzoeken naar voedselzekerheid bij specifieke groepen, zoals mensen in achterstandswijken en gevangenen. Met de resultaten daaruit zal het onderwerp in elk geval meer aandacht krijgen. En dat is écht nodig.”

Tot slot

Neter besluit: “Ik ben ervan overtuigd dat erkenning vanuit de overheid een belangrijke eerste stap zou zijn om het probleem onder de aandacht te brengen en er een structurele oplossing voor te vinden. En ik denk ook dat het leven van de voedselbankklant makkelijker wordt als iedereen er gewoon open over is. Als meer mensen weten dat veel landgenoten gebruikmaken van de voedselbank en vaak ook voedselonzeker zijn, krijgen ze misschien wat meer begrip voor deze mensen en kan ieder op z’n eigen manier een steentje bijdragen. Voedselonzekerheid is een groot probleem bij de voedselbanken. En daar moet we structureel iets aan doen. Dat is gewoon een kwestie van beschaving.”