Lees verder
Onderzoek en diëtetiek zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Adviezen moeten immers gebaseerd zijn op wetenschappelijke inzichten, diëtisten onderzoeken hun eigen vragen en delen de uitkomsten met collega’s. Wie kan daar beter over vertellen dan een van de eerste gepromoveerde diëtisten in Nederland: emeritus hoogleraar Wija van Staveren?
Wendy van Koningsbruggen

Wija van Staveren is diëtist en emeritus hoogleraar Voeding van de oudere mens aan Wageningen University. Als we haar vragen om terug te kijken op 75 jaar diëtetiek, gaan we meteen een heel eind terug in de tijd. “In de Griekse oudheid hield Hippocrates zich al bezig met voeding. Hij observeerde en experimenteerde. Als je zijn waarnemingen vergelijkt met de nieuwe Richtlijnen goede voeding, zijn er opvallend veel overeenkomsten. Wat de Gezondheidsraad heeft toegevoegd, zijn specifiekere adviezen en een feitelijke onderbouwing. Daar was Hippocrates nog niet toe in staat. Hij zag alleen het verschil tussen het eten dat erin ging en de poep die eruit kwam; hij wist niet wat er in het lichaam gebeurde. Daarover zijn we door middel van onderzoek steeds meer te weten gekomen. Er zijn veel belangrijke ontwikkelingen geweest, maar naar mijn idee is het grote omslagpunt voor het ontstaan van de diëtistenopleiding geweest: het onderzoek naar de rol van vitamines bij veel voorkomende gebrekziekten. Voedingszorg werd complex.”

 

Kijk naar je patiënt

Observationeel onderzoek is volgens Van Staveren heel belangrijk gebleven. “Maar toen ik in 1962 als onderzoekdiëtist bij TNO ging werken, kwam de nadruk steeds meer te liggen op experimenteel onderzoek. Het observerend onderzoek verdween geheel naar de achtergrond en dat was óók weer niet goed; het moet een combinatie zijn. Dus blijf als diëtist goed kijken naar je patiënt.”

Evidence based handelen is ontstaan door onderzoek. Dat heeft alles inzichtelijker gemaakt en de kwaliteit van de beroepsuitoefening enorm opgekrikt. Maar volgens Van Staveren ligt er een gevaar op de loer: “Dat met het maken van protocollen mensen vergeten om eerst goed te kijken naar de patiënt die voor ze zit: wat is zijn probleem, wat eet hij, wat vindt hij lekker? Begrijp me goed, ik pleit heel erg voor onderzoek, maar diëtetiek is en blijft ook een ambacht. Dus kijk hoe het protocol bij deze patiënt past, wat de afwijkende punten zijn en wat je daarmee doet? Dat maatwerk is belangrijk. En het moet inzichtelijk zijn: je moet je eigen handelen observeren en je eigen effectiviteit in kaart brengen, dus je ervaringen goed opschrijven. Methodisch handelen is daarbij belangrijk.”

Het instrumentarium van de diëtist

Om het ambacht goed te kunnen uitvoeren, heeft de diëtist volgens Van Staveren een bepaald instrumentarium nodig: “Dat is om te beginnen de voedingsmiddelentabel. Begrip hebben van de cijfers die daar in staan, is de basiskennis van voedsel. Daarnaast is kennis over de fysiologie van de voeding én over het voedingsgedrag van de patiënt belangrijk. Op de hoogte zijn van de verschillende methoden om de voedingsmiddelenconsumptie te bepalen, is ook basiskennis voor de diëtist: wat eten mensen nu eigenlijk? En om uiteindelijk je advies te kunnen geven, zijn kennis en vaardigheden op het gebied van communicatie en voedingszorg belangrijk. Onderschat dat niet, want daar kan een hoop misgaan. Kortom, het is een heel pakket: omgang met mensen, spelen met voedsel, getallen begrijpen en toepassen in een advies dat op maat en begrijpelijk moet zijn… Dat is het ambacht. En op al die vlakken speelt onderzoek een rol.”

Lezen, begrijpen en beoordelen

Op welk niveau kun je eigen onderzoek uitvoeren? Van Staveren: “Het is voor iedereen belangrijk om altijd nieuwsgierig te blijven. Wat is mijn ervaring? En waarom is dat zo? Daar is onderzoek voor nodig. Nu kies je het beroep doorgaans om een adviserend diëtist te zijn, en niet een onderzoeker. Maar sommigen willen dat wel. Dat kan zijn omdat je niet helemaal tevreden bent met de kennis die er is. Of omdat je dingen verder wilt uitzoeken. Het is heel goed om zaken vanuit je eigen praktijkervaring te onderzoeken en vervolgens toe te passen. Diëtisten kunnen dat goed: die gaan vanuit de praktijk naar onderzoek. Bij voedingskundigen is het meestal andersom: die beginnen bij het onderzoek. Diëtisten kunnen dan vaak de vertaling naar de praktijk maken. Verder is het heel veel waard om binnen je beroepsgroep een aantal mensen te hebben die een goede gesprekspartner zijn voor de academisch opgeleide voedingsonderzoekers.”

Niet iedereen hoeft wat Van Staveren betreft zelf onderzoek uit te voeren. Maar diëtisten moeten volgens haar wel op de hoogte zijn van de betekenis van onderzoek voor hun vak. “Daarvoor is het een vereiste dat je onderzoek kunt lezen, begrijpen en beoordelen. Ik vind daarom dat het rapport Richtlijnen goede voeding 2015 een basisdocument is voor alle diëtisten. Het is gedegen uitgevoerd, met actuele en gedegen wetenschappelijke onderbouwingen en goede beschrijvingen van de verschillende typen onderzoek en de kwalificaties die daarbij horen. Het is echt basiskennis om het beroep goed te kunnen uitoefenen. Verder zijn diëtisten in staat wetenschappelijke literatuur te lezen, te beoordelen en toe te passen. Een eerste goede eerste stap is het eigen NTVD. Ik ben er echt trots op dat dat in de loop der jaren steeds professioneler is geworden. Maar het geldt ook voor de internationale tijdschriften: het hoort er allemaal gewoon bij.” (Van Staveren was decennia lang lid van de wetenschappelijke adviesraad van het NTVD, red.)

Leuk maar niet makkelijk

Welke kwalificaties moet een onderzoeksdiëtist hebben? Van Staveren: “Een grote nieuwsgierigheid. En je ergens in vast willen bijten. Verder moet je kritiek kunnen incasseren en heb je een lange adem nodig. Maar ook een enthousiaste begeleider en geld zijn belangrijk. Voor de financiering is het essentieel dat je een herkenbare en onderzoekbare vraag hebt. Bedenk van tevoren dus goed: wie kan wat hebben aan de uitkomsten? Als je onderzoek wilt doen, stap dan gewoon eens op een hoogleraar of een onderzoeker af. Het is zó leuk. Maar niet altijd makkelijk. In mijn tijd hadden we ook nog te maken met een lastig klimaat. We waren als beroepsgroep nog onbekend en werden qua niveau niet op de juiste waarde geschat. Toch hebben we veel bereikt. Nederland staat internationaal goed aangeschreven op het gebied van voedingsonderzoek, ondanks een relatief klein onderzoeksbudget. Dat moeten we natuurlijk wel zo houden!”

Gun elkaar dingen

In Wageningen is men diëtisten meer gaan waarderen, aldus Van Staveren. Maar het was een lastige start, vertelt ze: “Het idee bij de oprichting van de vakgroep Humane Voeding was om voeding naar een academisch niveau te tillen. Dat was natuurlijk een nobel streven. Maar diëtisten zagen het als een bedreiging. Bij de start heeft men dat in Wageningen misschien ook niet helemaal tactisch aangepakt. En toen ik in Wageningen ging werken, werd ik ook echt gezien als een overloper. Klinisch werken was voor sommigen ‘heilig’; alles wat je daarbuiten deed, was niet goed. Dat is gelukkig wel veranderd: je vindt diëtisten nu overal en ze maken deel uit van verschillende samenwerkingsverbanden. Dat is goed. Het is daarbij belangrijk om een brede blik te behouden en vooral: elkaar dingen te gunnen. Je doet het samen en hebt er uiteindelijk ook samen profijt van.”

Van meneer X naar meneer Y

Al met al vindt Van Staveren dat de diëtist zich in die 75 jaar tot een professionele beroepsbeoefenaar heeft weten te ontwikkelen. Maar ze ziet ook nog kansen. “Er verandert veel in de voedsel- en voedingswereld, en nog snel ook. Kijk naar het driedimensionaal voedsel printen! Voor de diëtist is het de uitdaging om ontwikkelingen bij te houden en wetenschappelijke kennis goed te hanteren. En voor de korte termijn: de recente Richtlijnen goede voeding zijn de basis. Maar die zijn afgestemd op groepen, dus daar zit de grote uitdaging: hoe hanteer je die op een goede manier? Dan komt dat ambacht weer om de hoek kijken. Er zijn weliswaar praktisch uitgewerkte toepassingen voor meer specifieke doelgroepen – onder andere in de Schijf van Vijf – maar dat zijn nog altijd groepen. Dat is uitgewerkt voor meneer X, maar dat is nog steeds niet de meneer Y die tegenover jou zit. Daar stopt de wetenschap en moet de diëtist het doen.”

Goede communicatie

Wat ziet van Staveren als een belangrijke ontwikkeling in de toekomst? “We moeten mensen zoiets belangrijks als voedingsgedrag vaak in korte tijd laten veranderen. Dat vergt goede communicatie. Ik denk dat we daar nieuwe ontwikkelingen kunnen verwachten: hulp van moderne communicatiemiddelen, dat wordt belangrijk. Het gaat er uiteindelijk om de patiënt een zo goed mogelijke voedingszorg te geven.”