Lees verder
Bij het samenstellen van het Nationale Preventieakkoord zaten meer dan zeventig partijen uit de samenleving aan tafel. Het feit dat ze daar allemaal tot het einde zijn blijven zitten, stemt staatssecretaris Paul Blokhuis van VWS hoopvol. “De belangen waren nogal eens tegenstrijdig, maar uiteindelijk wil íedereen een gezonder Nederland.”
Wendy van Koningsbruggen

In het Preventieakkoord staat: ‘de tijd is er rijp voor’. Waaruit blijkt dat?

“Dat idee leeft bij alle ruim zeventig ondertekenaars van het akkoord: de wetenschap, de overheid, de industrie, de retail, de medische wereld, zorgprofessionals, verzekeraars, patiënten, consumenten en voorlichtingsinstanties. Iedereen is op zijn eigen manier bezig met gezondheid. Want het is natuurlijk wrang dat in zo’n welvarend land als Nederland zo veel mensen lijden aan ziektes die te voorkomen zijn door gezonder te leven. Mijn drijfveer is dat mensen niet hoeven te lijden aan een chronische ziekte als gevolg van leefstijl.”

Dat gegeven is niet nieuw. Waarom zou preventie nu wel lukken?

“Ik verwacht ook niet dat het morgen direct anders is. Zo’n beweging moet op gang komen. Maar kijk naar roken. Twintig jaar geleden was het nog vanzelfsprekend dat overal werd gerookt: in de trein, in restaurants en cafés. Nu vindt iedereen het een goede ontwikkeling dat dat is teruggedrongen. Ik denk dat zo’n cultuuromslag ook mogelijk is in andere domeinen, zoals overmatig alcoholgebruik en gezond eten. Mensen gaan er al bewuster mee om. Je wordt overspoeld met kookprogramma’s vol gezonde ingrediënten, streekgerechten, alles vers … Heerlijk! Mijn kinderen gaan ook veel bewuster met eten om dan ik vroeger deed. Een van hen is vegetariër; dat is ook al veel minder uitzonderlijk dan tien jaar geleden. Er bewust over nadenken is duidelijk een beweging die gaande is.”

Zijn met al die partijen de belangen niet vaak tegenstrijdig?

“Ik zie dat organisaties die elkaar voorheen nauwelijks kenden, of zelfs met de ruggen naar elkaar stonden, samen dingen gaan doen. Dus de grootste winst van het Preventieakkoord is dat er een brede beweging op gang is gekomen. Het is echt heel bijzonder dat alle organisaties die aan het begin met elkaar om de tafel gingen zitten, allemaal zijn gebleven: van de producenten tot aan de gezondheidsfondsen en alles wat ertussenin zit. Iedereen heeft gezegd: we gaan met z’n allen goede dingen doen. En de ambitie is groot. Bijvoorbeeld: we streven naar een gezond voedselaanbod volgens de Schijf van Vijf in 2025. En in 2040 moet overgewicht terug zijn op het niveau van 1996. Dus wat in ruim twintig jaar is ontwikkeld – en hopelijk z’n top heeft bereikt – moet ook in twintig jaar weer worden teruggebracht. Die berg moeten we met z’n allen bedwingen.”

Bent u voor een ‘harde’ of ‘zachte’ aanpak?

“Ik vind dat het een gezonde mix moet zijn. Bij de aanpak van roken zit de tabaksindustrie niet aan tafel; daarom komt het initiatief vanuit de overheid. Maar niet alleen de overheid is aan zet. We omarmen eerst waar de samenleving mee komt. Ik zie al een heleboel maatschappelijke initiatieven om gezond eten en bewegen te bevorderen, met een concrete aanpak: bij sportverenigingen, in het onderwijs, bij gezondheidsfondsen als het Diabetesfonds, en bij artsen. Betrokken partijen bieden zélf aan om het voedselaanbod gezonder te maken, zoals de FNLI en het CBL, de industrie en de supermarkten. Wij hadden voor het akkoord als target dat in 2020 15% minder suikers geconsumeerd zouden worden via frisdranken. De FNLI heeft gezegd: wij leggen de lat hoger en willen naar 25% minder consumptie van suikers via frisdranken in 2020, en 30% minder in 2025. Dat heb ik natuurlijk veel liever dan afdwingen via een suikertaks. Maar als ze dit niet waarmaken, dan komt die taks er wat mij betreft alsnog.”

Gezonde keuzes … hoe gaat het nieuwe voedingslogo eruit zien?

“In het kader van de gezonde keuze makkelijker maken is een goed voedselkeuzelogo natuurlijk heel belangrijk. Voor mij is het belangrijkste: het moet een logo zijn dat in één keer staat, dat overal toegepast kan worden in Nederland en dat op een breed draagvlak kan rekenen. Zorgvuldigheid en tempo vechten hierin om voorrang, maar ik vind zorgvuldigheid belangrijker. Want het is mij een lief ding waard dat er een goede opvolger komt voor het vinkje. Maar ook zaken als kidsmarketing spelen een belangrijke rol. Dat is al behoorlijk aan banden gelegd, maar de mooiste slag is te maken als de industrie deze vorm van marketing vooral zou toepassen op de gezónde producten. En ik kan jullie hierbij melden – een leuk nieuwtje voor jullie blad – dat er in de supermarktwereld heel serieus wordt nagedacht over het plaatsen van populaire figuurtjes op Schijf van Vijf-producten!”

Krijgt de kwetsbare groep (lage SES) extra aandacht?

“Deze groep is, denk ik, meer dan wie ook, enorm geholpen als je de gezonde keuze makkelijker maakt. Inzichtelijker dan met het vinkje, dus eenvoudig, betrouwbaar en goed, maar ook overal en voor iedereen aantrekkelijk en beschikbaar. Bovendien moeten we mensen ervan overtuigen dat eten volgens de Schijf van Vijf goedkoper is dan ongezond eten. Dat vraagt om een cultuuromslag waar we met z’n allen flink aan moeten werken. Dat vraag ik ook aan de supermarkten, door bijvoorbeeld vaker gezonde producten in de aanbieding te doen. Daarnaast spelen ook andere zaken een rol, zoals psychisch welzijn, schuldenproblematiek en het hebben van werk. Als je tegen iemand die diep in de schulden zit zegt: ‘Zullen wij eens even gezond gaan eten?’, dan komt dat helemaal niet binnen. Daarnaast kunnen schaamte en stigma een belangrijke rol spelen bij mensen die obees zijn. De omgeving en professionals rond deze mensen moeten om weten te gaan met deze gevoeligheden. Want lang niet altijd is overgewicht een geval van ‘eigen schuld’. Een totaalbenadering is daarom heel belangrijk. Gelukkig wordt er al steeds minder in hokjes gedacht en wordt er meer samengewerkt, maar dat kan op heel veel fronten nog beter.”

Waarom is voor gezonde leefstijlinterventie een aparte opleiding vereist?

“Om te beginnen is het natuurlijk al een hele doorbraak dat de gecombineerde leefstijlinterventie (GLI) als aparte interventie vanuit het basispakket gefinancierd wordt. Daarmee veranker je leefstijl en preventie in de gezondheidszorg met een laagdrempelige hulpverlening. Dat kan op termijn bijdragen aan enorme gezondheidswinst. De verzekeraars wilden daar wel geld voor inzetten, maar hebben een goede kwaliteitsborging als voorwaarde in hun polis opgenomen. Daarom moeten de professionals die actief willen zijn in de GLI zich (bij)scholen, zodat ze minimaal voldoen aan de competenties van een hbo-leefstijlcoach, in vooraf goedgekeurde programma’s om ‘wildgroei’ te voorkomen.”

Maar er zijn toch al diëtisten en fysiotherapeuten?

“We hebben daarover pittige gesprekken gevoerd met verschillende professionals, onder wie de NVD. Jullie beroepsgroep had het liever anders gezien, maar heeft het, als ‘handreiking’, uiteindelijk geaccepteerd. Maar in de goedgekeurde programma’s kunnen alle betrokken professionals een bijdrage leveren, mits ze dus een opleiding tot leefstijlcoach hebben gevolgd. Dat is met jullie achtergrond natuurlijk goed te doen. Bovendien zijn bij de GLI-projecten ook diëtisten betrokken. Dat heb ik zelf ervaren in Apeldoorn. Daar liep SLIMMER in de tijd dat ik daar wethouder was. Daar was ik destijds erg van onder de indruk. Ik denk dat er met al deze aandacht voor leefstijl voor alle zorgprofessionals, dus zeker ook voor diëtisten, hele mooie tijden aanbreken.”

En dan het geld: slechts genoeg voor één patiënt per praktijk?!

“Er is nu inderdaad een beperkt budget beschikbaar, maar dat is niet vanuit ‘zuinigheid’. Het RIVM heeft, op ons verzoek, een eerste inschatting gemaakt op de vraag: wat is nou realistisch als je zoiets nieuws introduceert? Waar moet je dan qua kosten voor het eerste jaar aan denken? Dat werd dit bedrag van 6,5 miljoen euro. Maar dat is geen vast plafond. Ik roep huisartsen dan ook vooral op: stuur mensen door, laat je niet weerhouden! Dat weten de zorgverzekeraars ook. Als blijkt dat de vraag groter is – en ik hoop dat dat zo zal zijn – dan moet ik opnieuw het gesprek aangaan met minister Bruno Bruins, die verantwoordelijk is voor de zorgverzekeringswet. Maar dat gesprek zal ik graag voeren, want dat zou betekenen dat leefstijlinterventie een succes is. Het is tenslotte ook een zorg waar iedereen recht op heeft, want het zit in het basispakket.”

Wat doet u zelf om gezond te blijven?

“Ik probeer zo veel mogelijk te bewegen, maar dat is met deze baan wel lastig. Ik zit veel in de dienstauto, want je mag niet overal met je tas over straat. En ik woon ver weg, dus ik word altijd gehaald en gebracht. Ik zit niet op een georganiseerde sport, maar we hebben een hond en ik vind het heerlijk om die uit te laten, vaak ook hardlopend. Ook hier in het gebouw probeer ik zoveel mogelijk te bewegen. Ik heb vorige week met een stappenteller rondgelopen. Dat werkt. Dan doe je toch steeds net een paar stappen meer. Het daagt je uit. En gelukkig heb ik geen aanleg om dik te worden. Ik eet gezond, maar overdrijf dat ook weer niet.”

Is uw gedrag nog veranderd sinds deze baan?

“Door dit hele proces ben ik zeker bewuster geworden. Vooral wat betreft alcohol. Ik ben nooit een grote drinker geweest, maar ik pak nu toch minder snel een tweede glas. Wij willen het stunten van alcohol met acties als ‘twee halen, een betalen’ aan banden leggen. Want dat brengt je toch in verleiding: als ik naar de supermarkt ga voor een fles wijn en ik zie zo’n aanbieding, dan ga ik ook met zes flessen naar huis in plaats van met één. En die zijn dan eerder op dan wanneer ik ze ‘los’ had gekocht. Dus ‘practice what you preach’ is op mij absoluut van toepassing.”

Zou u er iets van zeggen als u een zwangere vrouw een glas wijn ziet drinken?

“Het zal wel als bemoeizuchtig worden ervaren, maar van roken en drinken zou ik wel iets zeggen. Wel eerder in de familie- of vriendenkring dan tegen een vreemde. En roken en alcohol bij jongeren is in mijn omgeving zeker wel iets waar we het over hebben. In de trant van: waarom doe je het? Je begint langzaam en dat neemt heel snel een vlucht. Ik vind ook dat we er niet al te beducht voor moeten zijn om daar iets van te vinden en te zeggen. Het gaat om een mentaliteitsverandering. Bij roken is dat ook gelukt. Dus ik heb goede hoop.”